• Nieuws

Potentiële ZZS; hoe hier (niet) mee om te gaan?

26 november 2018
Bestuursrecht - BRZO - Milieu - Handhaving en sancties

Op 19 januari 2018 heeft het Rijksinstituut van Volksgezondheid en Milieu (het ‘RIVM‘) de notitie ‘Identificatie van potentiële Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS)’ (de ‘Notitie‘) vastgesteld. In bijlage III van de Notitie is een lijst met ruim 300 stoffen en stofgroepen van potentiële ZZS opgenomen. Potentiële ZZS zijn volgens de Notitie stoffen die mogelijk voldoen aan de criteria voor ZZS (artikel 57 REACH), maar nog niet als ZZS zijn geïdentificeerd. Dit kan zijn omdat bepaalde gegevens ontbreken, of omdat de evaluatie van de beschikbare gegevens nog moet plaatsvinden. Het doel van de Notitie is om voor het bevoegd gezag een lijst met potentiële ZZS voor te stellen, bijvoorbeeld als hulpmiddel bij de vergunningverlening. Het RIVM adviseert daarbij uitdrukkelijk de voorgestelde potentiële ZZS lijst geen officiële juridische status te geven, maar dat advies lijkt niet overal gevolgd te worden in de praktijk.

Sinds de eerste lijst van de potentiële ZZS en de Notitie zijn er al een aantal updates en nieuwe documenten verschenen over dit onderwerp:

  • Update potentiële ZZS lijst van augustus 2018 (laatste versie voor zover bij ons bekend);
  • Procedure samenstellen potentiële ZZS lijst, en;
  • Motivatie samenstellen potentiële ZZS lijst.

Wij merken dat deze lijst in de praktijk geregeld vragen oproept. Een logische reactie, omdat de lijst – op aangeven van het RIVM geen juridische status heeft, maar wel wordt toegepast bij o.a. vergunningverlening. De beleidsmatige invulling van de lijst is door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (‘I&W‘) opgenomen op de website van Infomil. Nog los van de juridische status van dit bericht op Infomil – deze is er niet zoals ook op de website van Infomil wordt benadrukt – wordt op Infomil aangegeven dat de lijst een hulpmiddel is bij vergunningverlening, meldingen en het toezicht op type A en B inrichtingen (geen vergunningplichtige inrichtingen). Voorts is voor het bevoegd gezag de volgende aanpak opgenomen (zie ook deze link):

  1. Het bevoegd gezag en bedrijven behandelen de emissies van potentiële ZZS naar lucht of water met extra voorzorg.
  2. Bedrijf en bevoegd gezag gaan samen na welke emissies van potentiële ZZS optreden.
  3. Het bevoegd gezag kan met het opstellen van voorschriften invulling geven aan de zorgplicht. Hierbij houdt het bevoegd gezag onder andere rekening met lokale omstandigheden en relevantie van de daadwerkelijke volumes van de emissies.
  4. Het beleid voor potentiële ZZS richt zich op het terugdringen van de emissies. Voor andere maatregelen zoals substitutie kan het bedrijf wachten tot definitief duidelijk is of de stof een ZZS is.

Hoe gaat het bevoegd gezag hiermee om in de praktijk?

Deze aanpak is er dus op gericht om emissies van potentiële ZZS verder te onderzoeken en verder te beperken. Maar hoe gaat het bevoegd gezag hiermee om in de praktijk en welke juridische middelen zijn daarvoor? Hierbij beperken we ons tot de emissies naar de lucht en dus niet naar het water.

Allereerst is van belang dat potentiële ZZS nog geen ZZS zijn. Dit betekent dus ook dat niet hoeft te worden voldaan aan – voor zover de emissies onder het Activiteitenbesluit vallen – de eisen voor ZZS die gelden op basis van Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit. Bijvoorbeeld: voor ZZS gelden lagere emissiegrenswaarden dan voor niet ZZS. Op Infomil wordt dan ook aangegeven dat bedrijven worden aangesproken op het voorzorgbeginsel. Het is niet in alle gevallen zo zeker of dit een terechte aanspraak is. Op deze plaats verwijzen wij naar de mededeling over de toepassing van het voorzorgsbeginsel van de Europese Commissie. Volgens de Europese Commissie mag het voorzorgsbeginsel worden toegepast wanneer een verschijnsel, een product of een procédé schadelijke gevolgen kan hebben, vastgesteld door middel van een objectieve, wetenschappelijke evaluatie, en indien deze evaluatie niet met voldoende zekerheid kan worden bepaald.

In de praktijk merken wij dat het bevoegd gezag potentiële ZZS toch al behandelt als ZZS en van inrichtingen verlangt dat ook te doen. Dit is wat ons betreft een juridisch onrechtmatige praktijk, die zich ontwikkelt in weerwil van de uitdrukkelijke noot van het RIVM.

Wat kan het bevoegd gezag dan eventueel wel?

Het bevoegd gezag kan – en wij zien dit inmiddels in onze dossiers in de praktijk – simpelweg vragen om inzichtelijk te maken welke potentiële ZZS er zijn en hoe deze beperkt kunnen worden. Dit kan eventueel door middel van een ‘informele’ brief, het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning of het stellen van maatwerkvoorschriften. Vanzelfsprekend zijn deze ‘bevoegdheden’ aan voorwaarden verbonden. Daarnaast kunnen bedrijven te maken krijgen met een dergelijk verzoek bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning.

Ook verwachten wij dat het bevoegd gezag zal aandringen op het terugdringen van de emissies van de potentiële ZZS. Of dit juridisch gezien ook ‘zomaar’ kan, dient nog te blijken. Door het ambtshalve aanscherpen van de emissie-eisen wordt namelijk een vergund recht beperkt en/of wordt afgeweken van de rechtstreeks (met BBT geassocieerde emissieniveaus) geldende emissie-eisen op basis van het Activiteitenbesluit. Een eventuele verlaging zal dus in ieder geval deugdelijk gemotiveerd moeten worden door het bevoegd gezag. Dit geldt temeer nu het nog geen ZZS zijn en er ook stoffen van de lijst zijn verwijderd omdat dit toch geen ZZS bleken te zijn.

Voor het bedrijfsleven is het in ieder geval van belang om – ongeacht voorgenomen vergunningaanvragen – zelf vast te stellen of een potentiële ZZS wordt geëmitteerd. Dit zou een bedrijf ook zelf moeten willen weten, mede in het licht van de zorgplicht uit de Wet milieubeheer. Deze kennis en informatie kan later een eventuele vertraging in een vergunningprocedure voorkomen. Ook is dit van belang met het oog op de eventuele wijziging van een potentiele ZZS naar een ZZS; dan kunnen namelijk rechtstreeks andere emissie-eisen gaan gelden op basis van Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit. Kortom; een goede voorbereiding is ook hier het halve werk.

Potentiële ZZS zijn stoffen waarvan nog niet met zekerheid bekend is of ze wel of niet ZZS zijn. Het is voor deze groep stoffen dus nog niet duidelijk of de zwaardere verplichtingen voor ZZS van toepassing zouden moeten zijn. – Focus op potentiële Zeer Zorgwekkende Stoffen / Kenniscentrum InfoMil (www.infomil.nl)

Meer informatie

Brigitte Ebben

M +31 6 1353 8548
E b.ebben@ploum.nl

Print dit artikel