• Nieuws

Start bedenktermijn: datum ondertekening vaststellingsovereenkomst of toch al eerder?

16 juni 2016
Arbeidsrecht - Ploum over Arbeid

De bedenktermijn

Indien werkgever en werknemer het eens zijn over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet de overeenstemming op grond van artikel 7:670b BW in een schriftelijke overeenkomst worden vastgelegd. De werknemer kan deze overeenkomst binnen 14 dagen ontbinden via een schriftelijke aan de werkgever gerichte verklaring. Dit recht tot ontbinding moet in de beëindigingsovereenkomst zijn vermeld. Indien dat niet het geval is, wordt de termijn verlengd tot drie weken.

Wanneer vangt de bedenktermijn aan?

De bedenktermijn van 14 dagen vangt aan na de datum waarop de overeenkomst tot stand is gekomen. Het dient daarbij te gaan om de totstandkoming van een schriftelijke (dus niet mondelinge) overeenkomst. De vraag is wanneer de overeenkomst schriftelijk tot stand is gekomen en dus de bedenktermijn aanvangt.

Kantonrechter Rotterdam: datum ondertekening vaststellingsovereenkomst

De kantonrechter Rotterdam oordeelde dat een beëindigingsovereenkomst pas tot stand komt op de dag dat de werknemer de beëindigingsovereenkomst ondertekent. De datum van ondertekening sluit volgens de Rotterdamse kantonrechter het beste aan bij de bedoeling van de wetgever. Bovendien vereist de rechtszekerheid volgens de kantonrechter een duidelijk aantoonbaar en concreet moment waarop de bedenktermijn aanvangt. Dat moment is volgens deze rechter de datum van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst door de werknemer.

Kantonrechter Leiden: datum schriftelijke overeenstemming over de essentialia van de beëindiging

De Kantonrechter Leiden oordeelde anders. Volgens de kantonrechter gaat het schriftelijkheidsvereiste niet zo ver dat de bedenktermijn pas gaat lopen na ondertekening van de beëindigingsovereenkomst. Volgens de kantonrechter is de eis van schriftelijkheid gesteld om een bijzondere waarborg te creëren dat de werknemer de consequenties goed heeft overwogen. Daarbij heeft de kantonrechter ook verwezen naar jurisprudentie, waarbij is geoordeeld dat met mededelingen per WhatsApp en met akkoordverklaringen per e-mail kan worden voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste. De kantonrechter vond in dit geval belang dat:

  • er uitgebreid en met bijstand van een juridisch gemachtigde is onderhandeld over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst
  • een concept beëindigingsovereenkomst met de gebruikelijke bepalingen is uitgewisseld en
  • de gemachtigde van de werknemer de inhoud hiervan in een e-mail heeft geaccordeerd

De kantonrechter vond dat in een dergelijk geval voldoende duidelijk is dat de afspraken over de beëindigingsovereenkomst voor de werknemer kenbaar en akkoord waren en de werknemer de consequenties van de beëindiging voldoende heeft overwogen. 

Conclusie

Er zijn op dit moment slechts twee uitspraken bekend, waarin kantonrechters zich uitlaten over de vraag wanneer de bedenktermijn aanvangt. Het oordeel van de kantonrechter Leiden sluit het meest aan bij het algemeen contractenrecht omtrent de (schriftelijke) totstandkoming van een overeenkomst. Het is gebruikelijk om over de voorwaarden waaronder een beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaatsvindt (uitgebreid) schriftelijk te onderhandelen en ook om een definitief schriftelijk akkoord op de voorwaarden te geven. Het is een werknemer dan duidelijk wat de beëindigingsovereenkomst inhoudt en op dat moment kunnen de consequenties van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst als bekend worden verondersteld. Hiermee is het doel van de bedenktermijn bereikt. Hiervoor is niet noodzakelijk dat ondertekening door beide partijen van de beëindigingsovereenkomst volgt.

Totdat dit verder is uitgekristalliseerd in de rechtspraak is het echter verstandig om de werknemer zo spoedig mogelijk zelf een schriftelijk akkoord op de overeenkomst te laten geven.