• Nieuws

Belastingdienst publiceert Handreiking voor de interpretatie van het begrip “Regeling voor vervroegde uittreding”

11 januari 2019
Arbeidsrecht

Wat is een RVU?

In 2005 is de zogenaamde RVU-heffing geïntroduceerd, die ten doel heeft om vroegtijdig stoppen met werken te ontmoedigen. RVU staat voor Regeling Vervroegde Uittreding en is een regeling, die (nagenoeg) uitsluitend dient ter financiële overbrugging van de periode tot de feitelijke ingangsdatum van een pensioenregeling of tot de ingangsdatum van de AOW. Als een regeling wordt aangemerkt als RVU wordt deze op basis van artikel 32ba lid 1 van de Wet op de Loonbelasting belast als een eindheffingsbestanddeel naar een tarief van 52%.

Beleidsbesluiten Belastingdienst

De Belastingdienst heeft indertijd in een besluit uitgewerkt in welke gevallen een regeling niet als RVU wordt aangemerkt. In de desbetreffende besluiten is een tweetal toetsingskaders uitgewerkt, te weten een kwalitatief toetsingskader en een kwantitatief toetsingskader. Er is in ieder geval geen sprake van een RVU als een regeling de kwantitatieve en/of kwalitatieve toets doorstaat. In beginsel wordt eerst de kwalitatieve toets uitgevoerd. Als een regeling niet (nagenoeg) uitsluitend bedoeld is om de periode tussen werk en pensioen te overbruggen is op basis van de kwalitatieve toets geen sprake van een RVU. In dat geval wordt aan de kwantitatieve toets niet toegekomen.

Arrest Hoge Raad van 22 juni 2018

Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad van 22 juni 2018 heeft de Belastingdienst de eerdergenoemde beleidsbesluiten ingetrokken en op 28 december 2018 de Handreiking voor de interpretatie van het begrip “Regeling voor vervroegde uittreding” als bedoeld in artikel 32ba van de Wet op de Loonbelasting 1964 gepubliceerd.

Het arrest van de Hoge Raad ging over een zaak waarin een werkgever in verband met een reorganisatie met vakverenigingen een Sociaal Plan was overeengekomen, waarin een zogenaamde vrijwillig vertrekregeling was opgenomen. De werkgever had de Belastingdienst vooraf verzocht om te beschikken, dat het Sociaal Plan inclusief deze vrijwillige vertrekregeling niet zou worden aangemerkt als RVU. Dit verzoek is afgewezen omdat vooraf niet kon worden vastgesteld hoeveel oudere werknemers daadwerkelijk gebruik zouden gaan maken van de vrijwillig vertrekregeling. De kwestie is vervolgens in meerdere instanties voorgelegd aan de rechter.

De Hoge Raad heeft uiteindelijk geoordeeld dat in het kader van een RVU-toets aan de hand van objectieve voorwaarden en kenmerken moet worden beoordeeld of een regeling is bedoeld ter overbrugging (of aanvulling) van het inkomen van de werknemer tot aan het moment dat die met pensioen/AOW gaat. Daarbij doen de feitelijke uitwerking, noch de intenties van de werkgever om de vrijwillig vertrekregeling aan te bieden of die van de werknemer om hieraan deel te nemen terzake.

Publicatie Handreiking

Naar aanleiding van dit arrest van de Hoge Raad heeft de Belastingdienst de eerdergenoemde Handreiking gepubliceerd, waarin duidelijkheid wordt geschept over de vraag hoe de Belastingdienst toetst of sprake is van een RVU.
Uitgangspunt is dat een vertrekregeling in het kader van een RVU-toets moet worden beoordeeld aan de hand van de objectieve voorwaarden van de regeling en dus of het ontslag al dan niet leeftijdgerelateerd is. De beweegredenen van de werkgever en de werknemer zijn hierbij niet relevant. Als op basis van objectieve voorwaarden sprake kan zijn van een RVU, vindt vervolgens op individueel niveau nog een toets plaats op basis van de objectieve kenmerken van de regeling. Daarbij wordt beoordeeld of de ontslagvergoeding feitelijk in staat stelt om te overbruggen aan de AOW-leeftijd dan wel eerdere pensioendatum van de werknemer (de zogenaamde 70%-toets).

Conclusie

Het blijft van belang om zowel op individueel als collectief niveau de juiste voorwaarden te hanteren en te benoemen en daarbij rekening te houden met het door de Belastingdienst gehanteerde toetsingskader.