• Nieuws

WNT; hoe zit het daarmee?

19 maart 2019
Arbeidsrecht - Zorg

De Wet normering topinkomens (WNT) is een wet waar altijd veel om te doen is. Diverse onderdelen maken veel discussie los, zoals de hoogte van de bezoldigingsnorm en wie er onder de definitie van topfunctionaris valt. In 2018 kondigde de Minister van BZK een aantal wetswijzigingen aan om ontwijkingsconstructies in de zorg tegen te gaan. Hoe staat het daarmee en wat ging eraan vooraf?

WNT-1

In augustus 2016 publiceerden wij een artikel op onze website over de ontwikkelingen omtrent de WNT tot dan toe. De WNT is in werking getreden per 1 januari 2013 en maximeerde de bezoldigingen van topfunctionarissen in de (semi)publieke sector aanvankelijk tot 130% van een ministersalaris. Op bezoldigingen boven dit maximum die voortvloeiden uit vóór de inwerkingtreding van de WNT bestaande afspraken is overgangsrecht van toepassing. Gedurende de eerste vier jaar werden de boven de norm gelegen afspraken gerespecteerd, waarna deze in de drie navolgende jaren worden afgebouwd naar de 130%-norm (WNT-1 norm). Eind 2019 is dit overgangsrecht ten einde.

WNT-2

Op 1 januari 2015 is de Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT in werking getreden. Op basis van deze wet moet de bezoldiging vervolgens – dus vanaf 1 januari 2020 – binnen twee jaar worden afgebouwd naar de verlaagde norm, zijnde 100% van een ministersalaris (WNT-2 norm). De WNT kent verschillende sector-gebonden maximumnormen, waaronder voor de zorg en jeugdhulp. Op deze sectorale maxima is weer specifiek overgangsrecht van toepassing. Op de website Topinkomens heeft het Ministerie BZK handige afbouwschema’s beschikbaar gesteld, onder meer voor de sector zorg en jeugdhulp.

WNT-3

Medio 2016 was de Minister van BZK voornemens een wetsvoorstel in te dienen dat tot doel had de reikwijdte van de WNT uit te breiden tot alle functionarissen binnen de (semi-)publieke sector (de beoogde WNT-3). Na een kritisch advies van de Raad van State heeft de Minister van BZK in november 2017 daarvan afgezien. De Raad van State vond het wetsvoorstel prematuur, omdat de effecten nog onvoldoende bekend zijn nu de periode van het overgangsrecht nog loopt. Ook plaatste de Raad van State vraagtekens bij nut en noodzaak van de WNT-3. De afdeling achtte de WNT-3 een te grofmazig instrument in relatie tot het geringe aantal werknemers dat meer verdient dan het WNT-bezoldigingsmaximum.

Ontwijkingsconstructies

In februari 2018 kondigde de Minister van BZK aan nog dat jaar een wetsvoorstel in te willen dienen om ontwijkingsconstructies in de zorg verder tegen te gaan.

Na de eerste evaluatie van de WNT in 2015 is per 1 januari 2018 de Evaluatiewet WNT1 in werking getreden. Deze wet bevat al tweetal bepalingen om wetsontwijking tegen te gaan, ook in de zorg. Allereerst kent de WNT nu een zogenaamde anticumulatiebepaling. Deze bepaling houdt in dat de bezoldiging van een topfunctionaris die bij twee of meer WNT-instellingen bestuurder is, in totaal niet meer mag bedragen dan het algemeen bezoldigingsmaximum.

Daarnaast is nu in de WNT geregeld dat een topfunctionaris die stopt als bestuurder, maar binnen de organisatie een andere functie dan die van topfunctionaris gaat vervullen, nog vier jaar gebonden blijft aan het algemeen bezoldigingsmaximum.

Welke ontwijkingsconstructies wil de Minister van BZK in de zorg tegengaan?

Het komt regelmatig voor dat toegelaten instellingen de zorgverlening uitbesteden aan andere rechtspersonen, de zogenaamde onderaannemers. Een rechtspersoon die enkel in opdracht van een andere zorginstelling zorg verleent, heeft daarvoor geen WTZi-toelating nodig. Op zo’n rechtspersoon is de WNT dus ook niet van toepassing, terwijl deze evengoed zorg verleent die wordt bekostigd via publieke middelen. Dit leidt tot de situatie dat de bezoldiging van een bestuurder van een rechtspersoon die naar gelang deze zelf of in opdracht zorg verleent, verschillend wordt genormeerd, zonder dat daarvoor een goede reden bestaat. Deze lacune leidt bovendien tot de mogelijkheid in het zorgdomein om de WNT te ontwijken.

Een andere beoogde aanpassing is de wijziging van het begrip ‘gelieerde rechtspersoon’. In de huidige WNT worden rechtspersonen als gelieerde instelling aangemerkt indien deze zijn opgericht door een WNT-instelling. Het gaat nu dus alleen om dochteronderneming van een WNT-instelling. Het kabinet is voornemens het begrip gelieerde rechtspersoon in de WNT zodanig aan te passen dat het gelieerde verband niet slechts naar ‘beneden’ werking heeft (de dochtermaatschappijen van een WNT-instelling), maar ook naar ‘boven’ (de moedermaatschappij waar de WNT-instelling onder valt). De bedoeling van het huidige begrip gelieerde instelling is dat wordt voorkomen dat de WNT kan worden ontweken door de topfunctionaris gedeeltelijk aan te stellen bij bijvoorbeeld een dochteronderneming die niet onder de WNT valt. De voorgestelde aanpassing leidt ertoe dat ook het geheel of gedeeltelijk aanstellen van de topfunctionaris bij de moederorganisatie van de WNT-instelling, hetgeen in de praktijk voorkomt, niet langer kan resulteren in het door de wetgever niet-beoogde effect van ontwijking van het bezoldigingsmaximum.

Stand van zaken

Begin 2019 heeft de Minister van BZK in een brief aan de Tweede Kamer gemeld dat met de voorbereidingen van het beoogde wetsvoorstel meer tijd is gemoeid. De reden hiervoor is dat in het overleg met vertegenwoordigers vanuit de accountancy uitvoeringsproblemen van de WNT in de zorg aan het licht zijn gekomen. Met name voor kleine zorginstellingen is niet altijd even duidelijk of zij een WTZi-toelating moeten hebben en daarmee of de WNT van toepassing is. Dit bemoeilijkt de controle door accountants. Vandaar dat de Minister van BZK voor instellingen ook wil verduidelijken wanneer de WNT van toepassing is en wanneer niet. Hierdoor is indiening van een wetsvoorstel uitgesteld tot het najaar van 2019.

Wij volgen de wijzigingen van de WNT op de voet en houden u daarvan op de hoogte!