• Nieuws

Wet nadere beloningsmaatregelen financiële ondernemingen: verder aanscherping beloningsregels financiële sector

06 juli 2020
Banking & Finance

Introductie

Op 2 juli 2020 diende de Minister van Financiën het wetsvoorstel Wet nadere beloningsmaatregelen financiële ondernemingen (het “Wetsvoorstel”) ter behandeling in bij de Tweede Kamer.

Het Wetsvoorstel introduceert:

  • Een wettelijke retentieperiode van 5 jaar voor onder meer aandelen in vaste beloningen als onderdeel van de van bestuurders en medewerkers van financiële ondernemingen;
  • Een wettelijke verplichting voor financiële ondernemingen om zich rekenschap te geven van en verantwoording af te leggen over de verhouding van de beloningen tot de maatschappelijke functie van de onderneming en de totstandkoming hiervan; en
  • Een aanscherping van de mogelijkheid tot afwijking van het bonusplafond voor niet-CAO personeel.

Het Wetsvoorstel leidt onder meer tot een aantal wijzigingen in hoofdstuk 1.7 van de Wet op het financieel toezicht (de “Wft”). Naast voornoemde wijzigingen worden een aantal technische wijzigingen van de Wft voorgesteld.

Daar waar tot op heden de wettelijke beloningsvereisten zoals vastgelegd in de Wft en voortvloeiend uit de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen (“Wbfo”) enkel betrekking hadden op het variabele deel van de beloning, worden met het Wetsvoorstel regels geïntroduceerd die betrekking hebben op het vaste deel van de beloning.

Retentieperiode aandelen en vergelijkbare financiële instrumenten in vaste beloning

Het Wetsvoorstel leidt er toe dat bestuurders en medewerkers van onder meer banken, verzekeraars, betaaldienst verleners en beheerders van beleggingsinstellingen die als onderdeel van hun vaste beloning aandelen in het kapitaal van de financiële onderneming, dan wel soortgelijke financiële instrumenten waarvan de waarde afhankelijk is van de waarde van de financiële onderneming (hierna gezamenlijk: aandelen) ontvangen, verplicht worden deze aandelen tenminste 5 jaar na verwerving aan te houden en niet verkocht mogen worden.

Het doel van de introductie van een wettelijke retentieperiode is de belangen van bestuurders en medewerkers meer in lijn te brengen met het langetermijnbelang van de financiële onderneming en de kortetermijnrisico’s in te perken. Volgens de Minister van Financiën kan er een ongewenste prikkel uitgaan van het bezit van aandelen indien deze gekoppeld zijn aan koersstijgingen op de korte termijn.

Het voorstel een wettelijke retentieperiode te introduceren sluit nauw aan bij hetgeen is opgenomen in de richtsnoeren betreffende een beheerst beloningsbeleid zoals gepubliceerd door de Europese Banken Autoriteit (EBA) ten aanzien een verplichte retentieperiode bij het verwerven van aandelen en vergelijkbare financiële instrumenten in variabele beloningen en is daarmee niet geheel nieuw.

De wettelijke rententieperiode zal in een nieuwe afdeling 1.7.9 Wft worden opgenomen in art. 1:130 Wft (nieuw) welke als volgt komt te luiden:

AFDELING 1.7.9. RETENTIEPERIODE VAN FINANCIËLE INSTRUMENTEN IN VASTE BELONINGEN

Artikel 1:130

Een financiële onderneming draagt er zorg voor dat aandelen of andere financiële instrumenten waarvan de waarde afhankelijk is van de waarde van de onderneming, die bestanddeel vormen van een vaste beloning van een natuurlijk persoon werkzaam onder haar verantwoordelijkheid, gedurende een periode van ten minste 5 jaar na verwerving worden aangehouden.

Van belang is om op te merken dat de wettelijke retentieperiode niet van toepassing zal zijn op aandelen in vaste beloningen die reeds voor afloop van de overgangstermijn van een jaar zijn verworven door medewerkers die al op het moment van inwerkingtreding van de wettelijke retentieperiode voor de financiële onderneming werkzaam zijn. In de praktijk betekent dit dat aandelen die reeds aan bestande medewerkers in eigendom zijn overgedragen niet door het Wetsvoorstel worden geraakt.

Verplichting rekenschap en verantwoording beloningen verhouding tot maatschappelijke functie

Met het Wetsvoorstel wordt voor financiële ondernemingen de verplichting geïntroduceerd om in hun beloningsbeleid te beschrijven op welke wijze de financiële onderneming zich rekenschap geeft van de verhouding van de beloningen van bestuurders, commissarissen en medewerkers van de onderneming tot haar maatschappelijke functie en de wijze van totstandkoming van de beloningen.

Deze nieuwe verplichting zal verankerd worden in een nieuw aan art. 1:118 lid 2 Wft toe te voegen sub e dat als volgt zal komen te luiden:

e. hoe de beloningen binnen de onderneming zich verhouden tot de functie van de onderneming in de sector en de positie in de samenleving alsmede de wijze van totstandkoming van deze verhouding.

Daarnaast zal art 1:119 Wft worden aangepast teneinde bovenstaande door te voeren.

Indien de desbetreffende financiële onderneming op grond van de Wft verplicht is een bestuursverslag op te stelen, dan dient zij zich in het openbaar te verantwoorden over dit onderwerp. Toezichthouders zullen op naleving van deze verplichting gaan toezien. Een inhoudelijke toetsing zal echter niet plaatsvinden.

Met de verplichting rekenschap en verantwoording af te leggen, wil de wetgever bewerkstelligen dat er voorafgaand aan de totstandkoming van het beloningsbeleid (en eventuele aanpassingen daarvan) meer rekening gehouden zal gaan worden met de maatschappelijke functie van de instelling. Het zou op die wijze ook eenvoudiger moeten worden voor stakeholders om de verantwoordelijke organen binnen een organisatie aan te spreken op het beloningsbeleid.

Aanscherping afwijking bonusplafond voor niet-CAO personeel

Ten tijde van de invoering van de Wbfo is bepaald dat er in uitzonderlijke gevallen een mogelijkheid moest bestaan om af te wijken van de regels met betrekking tot het bonusplafond voor personeel dat buiten de (Bank) CAO valt. In de praktijk blijkt echter dat van deze mogelijkheid te veel gebruik gemaakt wordt en wordt het derhalve noodzakelijk geacht regels ter aanscherping te introduceren.

Ten einde te benadrukken dat enkel in uitzonderlijke gevallen gebruik gemaakt mag worden van de mogelijkheid om ten aanzien van variabele beloningen af te wijken van het bonusplafond sluit het Wetsvoorstel deze mogelijkheid uit voor de beloning van personen die (a) interne controlefuncties verrichten of (b) zich rechtstreeks bezighouden met het verlenen van financiële diensten aan consumenten. Om beter te kunnen monitoren hoeveel gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid om af te wijken van het bonusplafond gaat er een jaarlijkse mededelingsplicht gelden voor financiële ondernemingen. Zij dienen jaarlijks informatie aan hun toezichthouder te verstrekken aangaande de gebruikmaking van de mogelijkheid tot afwijking van het bonusplafond. Dit volgt uit een nieuw in te voegen lid 4 in art. 1:120 Wft.

De verplichtingen omtrent het afwijken van het bonusplafond zullen verder in een gewijzigd art. 1:121 Wft worden opgenomen.

Overgangstermijn

Het Wetsvoorstel zal ten aanzien van de bepalingen aangaande de wettelijke retentieperiode en het aanscherpen van de mogelijkheid om af te wijken van het bonusplafond voor niet-CAO personeel per 1 juli 2021 inwerkingtreden.

Voor wat betreft de aanscherping van de afwijking van het bonusplafond geldt dat er een overgangstermijn van een jaar zal gelden vanaf het moment van inwerkingtreding met betrekking tot van natuurlijke personen die op het moment van inwerkingtreding reeds onder verantwoordelijkheid van de financiële onderneming werkzaam zijn. De financiële onderneming zal gedurende dit overgangsjaar de arbeidsvoorwaarden en contractuele afspraken dienen te herzien.

Hetzelfde zal gelden ten aanzien van de invoering van de wettelijke retentieperiode, deze regels zullen vanaf 1 juli 2022 gelden voor natuurlijke personen die reeds op 1 juli 2021 werkzaam waren onder verantwoordelijkheid van de financiële instelling. Uiteraard met inachtneming van de bepaling dat reeds verworven aandelen buiten de reikwijdte van wettelijke retentieperiode vallen.

De inwerkingtreding van de wettelijke verplichting voor financiële ondernemingen om zich rekenschap te geven van en verantwoording af te leggen over de verhouding van de beloningen tot de maatschappelijke functie van de onderneming en de totstandkoming van beloningen, zal een jaar later inwerkingtreden. Dit betekent dat financiële ondernemingen per 1 juli 2022 aan de nieuwe verplichting dienen te voldoen en hun beloningsbeleid aangepast dienen te hebben. Die financiële ondernemingen die tevens verantwoording dienen of te leggen zullen dat voor het eerst in het bestuursverslag over het boekjaar 2022 dienen te doen.

Het Banking & Finance team zal u op de hoogte houden van verdere ontwikkelingen ten aanzien van het Wetvoorstel. Voor vragen en/of informatie kunt u contact opnemen met Matthijs Bolkenstein (m.bolkenstein@ploum.nl of +31 6 46630866) of Lucas Lustermans (l.lustermans@ploum.nl of +31 6 1985 0096).