• Nieuws

“Voorwaardelijk opzet” bij laster niet voldoende

10 maart 2020
Strafrecht, economisch strafrecht en milieustrafrecht

Op 29 augustus 2017 hebben wij een artikel geschreven over wanneer uitlatingen jegens een werkgever strafbaar zijn. In dit artikel zijn de drie delicten ‘valsheid in geschriften’, ‘laster’ en ‘smaad’ besproken. Op 18 juni 2019 heeft de Hoge Raad herhaald dat voorwaardelijk opzet niet toereikend is voor de bewezenverklaring van laster (zie ECLI:NL:HR:2019:904). In dit artikel zal worden besproken wat dit nou eigenlijk betekent en of dit de keuze om wel of niet aangifte te doen zou moeten beïnvloeden.

Laster

Zoals in het vorige artikel besproken, is laster een ernstiger variant van smaad. Laster is het kwaadspreken over een ander. Het verschil met smaad is dat bij laster de informatie die wordt verspreid onwaar is, hetgeen de dader dient te weten. Juist op dat onderdeel van laster, “hetgeen de dader hoort te weten” gaat de Hoge Raad in zijn arrest van 18 juni 2019 in. In het arrest wordt namelijk geklaagd dat de verdachte helemaal niet wist dat de uitlatingen in strijd met de waarheid waren. De vraag is dan ook of wat onder ‘weten’ moet worden verstaan.

Voorwaardelijk opzet

De Hoge Raad geeft als volgt antwoord op bovenstaande vraag. “Wetende dat” betekent in beginsel “opzettelijk” in de zin van de wet. Opzet kent in het strafrecht meerdere varianten. Iemand kan een gedraging immers volledig zo gewild en bedoeld hebben, maar het kan ook zo zijn dat iemand zich alleen bewust is van een mogelijk gevolg, en dit gevolg vervolgens voor lief neemt. In de rechtspraak van de Hoge Raad is aangenomen dat ‘wetende dat’ normaal gesproken betrekking heeft op deze laatste variant: het bewust aanvaarden van de kans dat een bepaald gevolg kan intreden. Dat wordt in het strafrecht ook wel ‘voorwaardelijk opzet’ genoemd. In het geval van laster zou het dan dus voldoende moeten zijn dat de verdachte bewust de kans aanvaardt dat de informatie die wordt verspreid onjuist is.

Hoge Raad

De Hoge Raad nuanceerde dit al enigszins in een eerder arrest, waarin werd besloten om de bovengenoemde lijn niet te volgen als het gaat om laster. Om te kunnen aannemen dat van laster sprake is vindt de Hoge Raad het niet voldoende dat iemand slechts de kans heeft aanvaard dat de informatie die verspreid is onjuist is (in de zin van voorwaardelijk opzet). De Hoge Raad ontleent dit argument aan de wetsgeschiedenis van het artikel waarin laster strafbaar is gesteld, artikel 262 Wetboek van Strafrecht. Op 18 juni 2019 kwam de vraag of ‘wetende dat’ voldoende is nogmaals aan de orde. De Hoge Raad is bij zijn eerdere arrest gebleven en heeft bovengenoemd uitgangspunt herhaald.

Conclusie

Voor het bewijzen van laster blijft meer nodig dan “voorwaardelijk opzet”. Het is dus niet voldoende als de verdachte slechts de kans heeft aanvaard dat de informatie die wordt verspreid onjuist is. Het antwoord op de vraag of het doen van aangifte van laster zinvol is, hangt nog steeds af van de omstandigheden van het geval en is niet eenduidig te beantwoorden. Het is in ieder geval wel duidelijk dat de Hoge Raad de drempel niet heeft verlaagd.

Meer weten? Neem dan contact op met Jouko Barensen. Met dank aan Isabelle vd Stel, student-stagiaire

Meer informatie

Print dit artikel