• Nieuws

Uitleg pandakte niet nodig voor bepaling verpande vorderingen in de pandakte

04 februari 2020
Banking & Finance - Notariaat - Ondernemingsrecht

HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1841 (Holding BV/Heijmans Infra BV)

Het gaat in deze casus om de vraag of Holding BV een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op een vordering van A BV op (een rechtsvoorganger van) Heijmans Infra BV (Heijmans). A BV heeft zich in een pandovereenkomst van 31 december 2010 jegens Holding BV verplicht om alle vorderingen op derden die zij heeft of zal hebben aan Holding BV te verpanden. Deze verpanding geschiedde bij een verzamelpandakte. Dit is een akte waarbij de bank of financier namens haar kredietnemers de vorderingen van kredietnemers aan zichzelf verpand op basis van volmachten die de kredietnemers bij het aangaan van de kredietovereenkomst of het ondertekenen van de eerste pandakte aan haar hebben verleend. Vervolgens verpandt de bank of financier periodiek (veelal dagelijks) op basis van deze volmachten alle vorderingen van al haar kredietnemers die een dergelijke volmacht hebben gegeven in één verzamelpandakte aan zichzelf.

In de tussen A BV (als pandhouder) en Holding BV (als pandgever) gesloten akte stond opgenomen:

Tot meerdere zekerheid voor de betaling of teruggave van al hetgeen de pandgever aan pandnemer nu of te eniger tijd schuldig mocht zijn of worden […] verpandt de pandgever aan de pandnemer […] zijn gehele bedrijfsuitrusting, zulks in de ruimste zin […].

Tevens verbindt de pandgever zich hierbij om aan de pandnemer alle vorderingen te verpanden die hij op derden heeft of zal hebben, uit hoofde van geleverde goederen, verrichte diensten, geleende gelden, provisies of uit welken hoofde ook, hierna te noemen ”de vorderingen“.

De verpanding zal geschieden door middel van daartoe door pandnemer vastgestelde formulieren, danwel andere documenten ten genoege van pandnemer waaruit van de verpanding aan pandnemer blijkt

Uiteindelijk is op 27 januari 2014 een aanvullende pandakte tussen A BV en Holding BV overeengekomen en geregistreerd bij de belastingdienst, waarbij het totaal aan uitstaande vorderingen werd vermeld en waarbij een lijst met gespecificeerde vorderingen was aangehecht.

Holding BV vordert in deze procedure betaling van een geldbedrag door Heijmans en neemt daarmee het standpunt in dat A BV een vordering heeft op Heijmans en dat A BV deze vordering aan Holding BV heeft verpand. Heijmans heeft hiertegen aangevoerd dat de vordering van Holding BV niet was verpand, nu deze niet is vermeld in de lijst met gespecificeerde vorderingen zoals aangehecht aan de pandakte.

Oordeel van het hof

Het hof heeft de vordering van Holding BV afgewezen. De vorderingen van A BV op Heijmans kwamen niet voor op de lijst van vorderingen die bij de pandakte was gevoegd. Daarnaast bevatte de pandakte ook geen aanknopingspunten op grond waarvan achteraf aan de hand van die akte kon worden vastgesteld of de vorderingen verpand waren nu van een generieke of algemene omschrijving van vorderingen van A BV op Heijmans geen sprake was. Dat het de bedoeling van A BV en Holding BV zou zijn geweest om vorderingen van A BV op Heijmans bij die akte te verpanden, is niet relevant, omdat de vorderingen niet op de lijst voorkwamen en de pandakte met gebruikmaking van die lijst specifiek bepaalde welke vorderingen werden verpand.

Holding BV klaagt in deze procedure dat het hof heeft miskend dat voor de bepaling van de inhoud van de pandakte en of de vordering krachtens die akte stil is verpand, ook de bedoeling van partijen relevant is. Zij bepleit kort gezegd toepassing van de Haviltex-maatstaf. Deze subjectieve uitleg dient volgens Holding BV door te werken in de vraag of voldaan is aan het bepaalbaarheidsvereiste voor de verpanding van de vordering, zijnde het vereiste dat de pandakte ten tijde van de verpanding de te verpanden vorderingen in voldoende mate bepaalt.

Conclusie Hoge Raad

De Hoge Raad laat het oordeel van het hof in stand. Hiertoe overweegt de Hoge Raad, evenals A-G Rank-Berenschot ECLI:NL:HR:2019:1841 in zijn conclusie en het arrest De Liser de Morsain/Rabo, ECLI:NL:PHR:2003:AF4602 waarnaar de A-G verwijst):

3.2 De vestiging van een stil pandrecht op een vordering op naam geschiedt bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan de schuldenaar van de verpande vordering (art. 3:239 lid 1 BW). Bij uitleg van de pandakte komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Een van die uitleg te onderscheiden en zelfstandig te beoordelen vraag is of is voldaan aan het uit art. 3:84 lid 2 in verbinding met art. 3:98 BW voortvloeiende vereiste dat de pandakte ten tijde van de verpanding de te verpanden vordering in voldoende mate bepaalt. Aan dit bepaaldheidsvereiste is volgens vaste rechtspraak voldaan als de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat.”

De vraag of een bepaalde vordering is verpand, dient daarmee dan ook te worden onderscheiden van de vraag over de uitleg van de pandakte zelf. Het hof heeft klaarblijkelijk het oog gehad op het bepaaldheidsvereiste als hiervoor bedoeld en heeft niet beoogd de pandakte uit te leggen, aldus de Hoge Raad in haar uitspraak.

Ook bij de wijze waarop het hof heeft onderzocht of aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof lijkt, door de pandlijst als leidend te beschouwen, een maatstaf te hanteren die strenger is dan die in de hierboven geciteerde overweging. Nu het hof daarna evenwel heeft overwogen dat de pandakte geen gegevens bevat aan de hand waarvan achteraf kan worden vastgesteld dat daarbij de vordering in kwestie was verpand, blijkt het hof toch een juiste maatstaf aan zijn oordeel ten grondslag te hebben gelegd.

Bij de toetsing aan het bepaaldheidsvereiste is het hof terecht voorbijgegaan aan de stelling dat de partijen bij de pandakte hebben beoogd met die akte ook de desbetreffende vordering te verpanden en daarover als getuige kunnen verklaren. De bedoeling van de partijen bij de pandakte is immers voor de beoordeling of is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste niet relevant, voor zover die bedoeling niet aan de hand van gegevens in de akte zelf, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld.