• Nieuws

Tijdelijke omgevingsvergunning voor realisatie zonneakkers houdt stand

04 juni 2018
Omgevingsrecht - Energie

Op 4 april 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“ABRvS”) een uitspraak gedaan op het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Coevorden (het “College”) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (de “Rechtbank”) van 26 april 2017. In deze zaak stond de vraag centraal of het College een tijdelijke omgevingsvergunning had mogen verlenen voor de realisatie van zonneakkers in afwijking van het geldende bestemmingsplan.

Casus

Een exploitant van zonneakkers heeft een omgevingsvergunning aangevraagd om – in afwijking van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” – op percelen zonneakkers (circa 22 hectare) te realiseren. Het College heeft met toepassing van artikel 2.12 lid 1 aanhef sub a en onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (“Wabo”) juncto artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (“Bor”) een omgevingsvergunning voor de duur van 10 jaar verleend.

Uitspraak Rechtbank

In het beroep (dat door een derde partij werd ingesteld) overwoog de Rechtbank dat uit de nota van toelichting bij artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor (p. 55 en 56; Stb. 2014, 333) volgt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning het aannemelijk moet zijn dat de activiteit na de in de omgevingsvergunning gestelde termijn daadwerkelijk kan en zal worden beëindigd. Daarbij is relevant dat het feitelijk mogelijk is dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd.

De Rechtbank stelde vast dat uit de gedingstukken volgde dat op voorhand duidelijk was dat de zonnepanelen langer dan 10 jaar op de percelen zouden blijven staan. Dat werd ook ter zitting door de exploitant en het College bevestigd. Verder achtte de Rechtbank het niet aannemelijk dat een zonnepark van 22 hectare met een bouwsom van € 1.517.500 na 10 jaar zal worden afgebroken en verwijderd. Gelet daarop oordeelde de Rechtbank dat het College de gevraagde omgevingsvergunning niet had mogen verlenen op grond van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor.

Uitspraak ABRvS

In hoger beroep voerde het College aan dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning op de voet van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor niet hoefde te worden beoordeeld of de vergunde activiteit na ommekomst van de bij de vergunning gegeven termijn zal worden beëindigd, maar dat blijkens voormelde nota van toelichting uitsluitend beoordeeld moest worden of de zonnepanelen na 10 jaar zonder onomkeerbare gevolgen kunnen worden verwijderd. Het College stelde dat dit het geval was, aangezien de zonnepanelen gezien hun constructie eenvoudig konden worden verwijderd en eenvoudig elders konden worden herplaatst.

De ABRvS overweegt allereerst dat voor de toepasbaarheid van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor uitsluitend is vereist dat het feitelijk mogelijk en aannemelijk moet zijn dat de vergunde activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Voor de vraag of het College op deze grondslag een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen is het dus niet van belang of aannemelijk is dat de zonnepanelen na 10 jaar ook daadwerkelijk zullen worden verwijderd. Nu het College heeft gesteld dat de zonnepanelen en de stalen constructie waarop de panelen rusten eenvoudig verplaatsbaar zijn, acht de ABRvS het daarmee feitelijk mogelijk en aannemelijk dat de zonneakkers zonder onomkeerbare gevolgen na 10 jaar kunnen worden verwijderd. Gelet daarop komt de ABRvS tot het oordeel dat het College de gevraagde omgevingsvergunning op grond van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor heeft kunnen verlenen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd.

Uit deze uitspraak van de ABRvS valt, kort en goed, af te leiden dat een tijdelijke omgevingsvergunning op grond van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor, ook kan worden verleend indien op voorhand duidelijk is dat de zonnepanelen langer dan 10 jaar op de percelen zullen blijven staan, op voorwaarde dat na afloop van de tijdelijke omgevingsvergunning de zonnepanelen zonder problemen kunnen worden verwijderd.