• Nieuws

Het stakingsrecht na de arresten Enerco en Amsta

27 september 2016
Arbeidsrecht - Ploum over Arbeid

In 2014 en 2015 heeft de Hoge Raad twee belangrijke arresten gewezen op het gebied van het stakingsrecht. Beide arresten hebben het juridisch beoordelingskader voor de rechtmatigheid van een staking verduidelijkt. Het stakingsrecht leek met deze twee uitspraken iets verruimd te zijn. Nieuwe uitspraken over stakingen in de luchtvaartsector nuanceren dat beeld: het inzetten van het stakingsmiddel kan ook onder het nieuwe beoordelingskader nog steeds worden beperkt.

Het Nederlandse stakingsrecht

Het stakingsrecht is in Nederland niet bij wet geregeld, maar is in 1986 door de Hoge Raad op basis van artikel 6 lid 4 Europees Sociaal Handvest (ESH) aangenomen (HR 30 mei 1986, NJ 1986/866). Dit artikel geeft werknemers het recht om collectieve acties te voeren bij belangengeschillen, om zo het recht op collectief onderhandelen doeltreffend uit te voeren. Dit recht op collectief actievoeren kan slechts worden beperkt onder de voorwaarden van artikel G ESH. Dit houdt in dat de beperkingen bij de wet moeten zijn voorgeschreven en noodzakelijk moeten zijn in een democratische samenleving ter bescherming van bepaalde belangen.

In het NS-arrest oordeelde de Hoge Raad dat een collectieve actie die onder de reikwijdte van artikel 6 lid 4 ESH valt, onrechtmatig is indien niet aan de zogeheten spelregeltoets is voldaan. Deze toets hield in dat een collectieve actie slechts rechtmatig is indien deze tijdig van tevoren wordt aangezegd. Ook moet de staking zijn ingezet als ultimum remedium. Dit standpunt is in latere rechtspraak herhaald, ondanks kritiek van het Europees Comité voor Sociale Rechten, dat naleving van het ESH controleert. De spelregeltoets was immers niet gebaseerd op de wet.

Een verruiming?

In het Enerco-arrest (HR 21 oktober 2014, NJ 2015/252) noemde de Hoge Raad de spelregeltoets opeens niet meer. In deze uitspraak over een staking in de Amsterdamse haven gaf de Hoge Raad aan dat een staking slechts kan worden beperkt langs de weg van artikel G ESH. Dit geldt overigens niet alleen voor stakingen, maar ook voor andere secundaire acties als flashmobs, besmetverklaringen, stiptheidsacties et cetera, zolang zij maar bijdragen aan het doel van de werknemersorganisaties: collectief onderhandelen.

In het Amsta-arrest (HR 19 juni 2015, NJ 2015/438) geeft de Hoge Raad vervolgens verdere uitleg: de spelregeltoets is niet langer een zelfstandige grond waarop een staking onrechtmatig kan worden bevonden. Een staking kan alleen worden beperkt op grond van artikel G ESH, waarbij geldt dat het naleven van de spelregels wel een gezichtspunt kan zijn bij deze toets. Overige gezichtspunten zijn de aard en duur van de actie, de verhouding tussen de actie en het nagestreefde doel, de door de actie veroorzaakte schade aan de belangen van de werkgever of derden en de aard van die belangen en schade, en de belangen van personen met een bijzondere kwetsbaarheid zoals jeugdigen, gehandicapten en bejaarden.

Het lijkt er dus op dat het stakingsrecht wat is verruimd. Niet alleen staat het de vakbonden vrij om ieder stakingsmiddel te kiezen dat hen doeltreffend lijkt om hun recht op collectief onderhandelen uit te oefenen, ook leidt het niet-naleven van de spelregels niet automatisch meer tot onrechtmatigheid. Daarentegen heeft de Hoge Raad in het Amsta-arrest voor het eerst bepaald dat de belangen van en schade bij de werkgever omstandigheden kunnen zijn die tot onrechtmatigheid van de staking kunnen leiden.

De staking bij KLM

Één van de stakingen waarover de rechter heeft moeten oordelen na Enerco en Amsta, is de staking van het grondpersoneel bij KLM. KLM was in onderhandeling met de bonden FNV, CNV, De Unie, de Nederlandse Vereniging van de Luchtvaarttechnici (NVLT) en de Vereniging van Hoger KLM Personeel (VHKLP) over een nieuwe cao. KLM kwam in juli met een ‘ultiem integraal KLM-voorstel’, dat door CNV, De Unie, NVLT en VHKLP neutraal zou worden voorgelegd aan de achterban. FNV wilde dit voorstel echter niet accepteren en kondigde aan acties voor te bereiden. De andere bonden én individuele KLM-werknemers uitten hier openlijk kritiek op, maar FNV ging door. Op 28 juli 2016 hebben er acties plaatsgevonden, waaronder een werkonderbreking bij de vrachtafhandeling en het uitdelen van ‘presentjes’ aan passagiers om hen bewust te maken van de acties. Het lukte KLM en FNV echter niet om elkaar te naderen in het overleg. FNV kondigde daarom nieuwe werkonderbrekingen aan op 3 augustus, waarop KLM een kort geding aan heeft gespannen. Primair werd een geheel verbod op acties gevorderd, subsidiair een stakingsverbod in de komende vier weekenden na de uitspraak.

De voorzieningenrechter (Vzr. Haarlem 11 augustus 2016, JAR 2016/208) verwijst allereerst naar de uitspraken Enerco en Amsta en geeft aan dat de actie in principe alleen beperkt kan worden op grond van artikel G ESH. Daartoe dient de rechter te beoordelen of de beperkingen dringend noodzakelijk zijn, een toets waarbij de eerdergenoemde gezichtspunten een rol spelen. De rechter overweegt dat door de stakingen het onmogelijk zal worden voor werkwilligen om hun werk te verrichten. Door het stilleggen van het werk op een enkele afdeling zal het hele werkproces worden vertraagd of opgeschort. Gezien de vakantiedrukte zal de hierdoor ontstane schade hoog zijn, zeker gecombineerd met de reeds bestaande problemen en achterstanden bij de bagage-afhandeling. Dit zal leiden tot een groot aantal gestrande passagiers. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om de staking te beperken. Dit met name gezien de huidige terreurdreiging, waarbij luchthavens bij uitstek een doel kunnen vormen voor terroristen.
De staking wordt dus beperkt tot en met 4 september 2016 wegens de ‘explosieve combinatie’ van extreme vakantiedrukte en de terreurdreiging. Na deze periode is de te verwachten vakantiedrukte kleiner en is het FNV wederom toegestaan om acties te voeren.

FNV stelt spoedappel in bij het hof Amsterdam (Hof Amsterdam 26 augustus 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3472). Het hof overweegt dat KLM juist de extreme vakantiedrukte heeft aangevoerd om de staking te beperken. In deze uitspraak wordt die drukte nog geconcretiseerd: het zal minstens 10 uur duren om 1 verloren uur in te halen, er zullen tussen de 70 en 114 vluchten met ongeveer 12.000 passagiers worden getroffen, afgezien nog van de 5.000 passagiers die hun bagage kwijtraken. Een staking van anderhalf uur zou voorts meebrengen dat ongeveer 5.000 passagiers in reeds gelande vliegtuigen uren zouden moeten wachten voordat zij dit vliegtuig kunnen verlaten. Het zal dagen duren voordat het vliegverkeer en de bagageafhandeling weer genormaliseerd zullen zijn. Dit brengt volgens het hof mee dat de staking inderdaad beperkt mag worden. De terreurdreiging wordt daarbij niet breed uitgemeten, maar volgens het hof spelen de aanwezige veiligheidsrisico’s, waarvan FNV niet kan aantonen hoe die te verminderen, wel een rol. Verder acht het hof relevant dat KLM zich in hoger beroep heeft beperkt tot het vorderen van een verbod tot en met 4 september en geen ongelimiteerd stakingsverbod heeft gevraagd. Het hof bekrachtigt daarom de uitspraak van de voorzieningenrechter en verbiedt de staking tot en met 4 september 2016. Uiteindelijk komen KLM en FNV op 6 september 2016 tot een cao-akkoord.

De staking bij EasyJet

KLM was niet de enige luchtvaartmaatschappij met een stakingsconflict. Ook EasyJet had te kampen met een conflict met pilotenvakbond VNV. Op 14 juni 2016 hebben 15 piloten gestaakt om de cao-onderhandelingen kracht bij te zetten en VNV vorderde daarop bij de rechter primair een algeheel stakingsverbod, subsidiair een stakingsverbod voor alle weekenden in de volgende 12 weken. Daarnaast eiste EasyJet dat de stakingen minimaal 48 uur van tevoren zouden worden aangekondigd.

De rechter overweegt ten eerste dat de werkonderbreking door de piloten niet alleen als iets negatiefs moet worden gezien. Onder verwijzing naar het Amsta-arrest meent hij dat een groot publiek wordt geraakt door deze stakingen, waardoor EasyJet kan worden geprikkeld om met een oplossing te komen. Ten aanzien van de aanzegplicht oordeelt de rechter vervolgens dat hiermee ‘in aanzienlijke mate afbreuk wordt gedaan aan de effectiviteit van het stakingsmiddel’. Er zijn dan ook zeer zware argumenten nodig om een aanzegplicht zoals gevorderd door EasyJet toe te staan. De voorzieningenrechter overweegt dat VNV niet de vrijheid mag hebben om (bijna) onaangekondigd te staken, omdat anders onrust en paniek zou kunnen ontstaan bij passagiers. VNV krijgt daarom een  aanzegplicht opgelegd van minimaal 6 uur van tevoren, zodat de schade voor reizigers zoveel mogelijk beperkt blijft. Een verdergaande beperking zou de machtsverhouding tussen VNV en EasyJet verstoren.

Ook hier mag EasyJet niet staken in de weekenden wegens de vakantiedrukte en grote overlast die daardoor zou kunnen ontstaan. In een publieksgerichte onderneming als een vliegtuigmaatschappij, moet de schade voor het reizend publiek zoveel mogelijk beperkt blijven. Overigens maant de rechter EasyJet aan om ook daarbij voortvarend op te treden.

Conclusie

In de twee uitspraken over de staking bij KLM is duidelijk te zien dat de schade bij en belangen van de werkgever worden meegewogen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de staking. Dat is goed nieuws voor werkgevers die onevenredig worden getroffen door een staking, zeker indien partijen elkaar al dicht genaderd zijn. Uit de uitspraak inzake EasyJet blijkt voorts dat de aanzegplicht weliswaar geen vereiste meer is voor rechtmatigheid van de staking, maar dat deze plicht nog zeker een belangrijke rol kan spelen in het beperken van stakingen. Het stakingsrecht lijkt dus verruimd door Amsta en Enerco, maar de uitspraken over de stakingen bij KLM en EasyJet tonen aan dat er nog voldoende mogelijkheden voor werkgevers zijn om een staking (tijdelijk) te beperken.

Dit artikel is geschreven door Rutger Ploum en Michelle Westhoeve.

Meer informatie

Rutger Ploum

M +31 6 2269 3315
E r.ploum@ploum.nl

Print dit artikel