• Nieuws

Over toerekening in het (medische) strafrecht

04 februari 2019
Strafrecht, economisch strafrecht en milieustrafrecht - Zorg

Onderstaand artikel verscheen onlangs in het RGD-Magazine 2018/2019 #1

Inleiding

Indien een arts of verpleegkundige een fout maakt, kan dat leiden tot strafrechtelijke consequenties. Bijvoorbeeld omdat een slachtoffer of nabestaande aangifte doet, of omdat  de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd – voorheen: IGZ, en nu IGJ – het OM inschakelt na afloop van een onderzoek. En wanneer iemand aan een niet-natuurlijke oorzaak overlijdt, wordt de Officier van Justitie zelfs onmiddellijk gebeld om te beoordelen of er mogelijk sprake is van een misdrijf. Zo kan het voorkomen dat de Officier in een split second oordeelt dat niet valt uit te sluiten dat een behandelend medicus zich heeft schuldig gemaakt aan een misdrijf. Wanneer de betreffende persoon daadwerkelijk als verdachte wordt aangemerkt, kan dat enorme gevolgen hebben.

Het referentiekader dat de Officier gebruikt om te beslissen of een medicus daadwerkelijk moet worden vervolgd, is de “Aanwijzing feitenonderzoek / strafrechtelijk onderzoek en vervolging in medische zaken”[1]. Volgens die Aanwijzing zal het strafrecht met name ingezet worden in geval van (kans op) letsel of de dood van een patiënt als gevolg van medische beroepsfouten, waarbij het redelijk vermoeden bestaat dat een strafbaar feit is begaan. Veelal zal hierbij sprake zijn opzet of schuld in de zin van grove nalatigheid, aldus de Aanwijzing.

Strafbaarstelling vereist vaak dat een bepaald gevolg is veroorzaakt

Het handelen van medici wordt door het OM vaak beoordeeld aan de hand van de maatstaven van het “commune strafrecht”. Dat betekent dat wordt gesproken “doodslag”, “dood door schuld”, het veroorzaken van “zwaar lichamelijk letsel door schuld”, of over “levensbeëindiging op verzoek”. Uiteraard heeft een medicus bijzondere taken en verantwoordelijkheden. Die zijn echter niet specifiek vereist voor het bewijs van de hier genoemde misdrijven. De delicten staan allen opgenomen in het Wetboek van Strafrecht. Ze hebben gemeen dat eenieder ze kan plegen: medici dus ook. Zij hebben ook gemeen dat zij het teweeg brengen van een bepaald gevolg strafbaar stellen. Dat betekent dat er een causaal verband moet zijn tussen de gedraging en het gevolg.

Dat geldt ook voor artikel 96 van de Wet BIG (Beroepen op de Individuele Gezondheidszorg). Dat artikel bepaalt dat “degene die bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak benadeling of een aanmerkelijke kans op benadeling  van de gezondheid van een ander veroorzaakt, indien hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat hij bij het verrichten van die handelingen benadeling of een aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van een ander veroorzaakt, gestraft wordt met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie”. Ook hier gaat het om het teweeg brengen van een bepaald gevolg. En ook hier moet er dus een causaal verband zijn tussen de gedraging en het gevolg.

Ter illustratie: het eveneens commune delict “verlating van een hulpbehoevende” (zie artikel 255 WvSr), dat we ook nog wel eens tegenkomen in het medische strafrecht, kent deze causaliteitseis niet. Wanneer iemand hulpbehoevend is, en een ander laat deze persoon in de steek terwijl hij gehouden is om deze persoon te helpen, kan overtreding van dit artikel worden bewezen. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn indien iemand zich tot de huisartsenpost wendt met een medische hulpvraag.[2]

De “leer van de redelijke toerekening”

Terug naar de delicten die een causaal verband eisen. Hoe wordt nu beoordeeld of het ingetreden gevolg in verband te brengen valt met iemands handelen?

In het strafrecht geldt de “leer van de redelijke toerekening” sinds de Hoge Raad eind jaren ’70 het “lethale longembolie-arrest” wees.[3] De kernvraag die moet worden beantwoord ligt voor de hand: is het redelijk om het ingetreden gevolg toe te rekenen aan de gedraging van de verdachte? Wanneer A met een pistool op B schiet en B overlijdt door het letsel dat de kogel veroorzaakt, is de vraag gemakkelijk te beantwoorden. Maar als A met een pistool op B schiet, die daardoor in het ziekenhuis belandt en bij de operatie overlijdt als gevolg van een fout van de chirurg, wordt het lastiger. Helemaal lastig wordt het (of misschien juist niet) als B doordat A hem beschoot in het ziekenhuis belandt, waar hij uitglijdt in het toilet, als gevolg waarvan hij overlijdt.

De leer van de redelijke toerekening sluit volgens mr J. de Hullu aan bij “de algemene uitgangspunten voor strafrechtelijke aansprakelijkheid, waarbij het in beginsel gaat om verantwoordelijkheid voor eigen gedrag”.[4] Met andere woorden: ook al droeg het slachtoffer geen autogordel, dat neemt niet weg dat het zware letsel dat bij een ongeluk bij hem is ontstaan, in beginsel aan de veroorzaker van een ongeluk is toe te rekenen. De relevante oorzaak is niet in de eerste plaats het verzuim om autogordels te dragen, maar de aanrijding.[5] Het is dus redelijk om het letsel aan de veroorzaker van het ongeluk toe te rekenen. Het mogelijke eigen aandeel van het slachtoffer is niet doorslaggevend.

Leer van de redelijke toerekening in medische strafzaken

Hoe werkt dit in medische strafzaken? Het criterium van de “redelijke toerekening” werd door het Hof Amsterdam toegepast in een zaak waarbij een kindercardioloog er van werd verdacht een patiëntje van 7 maanden oud opzettelijk van het leven te hebben beroofd (!).[6] De verdachte had een stent in het lichaam van de baby geplaatst, volgens het Hof zonder dat daartoe een noodzaak bestond. Het kindje was vervolgens overleden. Volgens een deskundige had de beschadigde arterie niet onafwendbaar geleid tot het overlijden van de baby. Dit werd door de raadsman aangegrepen om te bepleiten dat er dus onvoldoende causaal verband was tussen het handelen van de arts, dat de beschadiging had veroorzaakt, en het overlijden. Het Hof ging hier echter niet in mee. Het Hof overwoog dat de handeling van de verdachte een “conditio sine qua non” was voor het overlijden, anders gezegd: zonder die handeling was het kindje niet overleden. Daar kwam bij dat de ingreep naar de geldende medische maatstaven riskant was, waardoor er een aanzienlijke kans op levensbedreigende complicaties was. Ook leek de nazorg gebrekkig te zijn geweest. Daardoor kon “niet worden gezegd dat de dood in zodanig ver verwijderd verband stond met het handelen van de verdachte, dat deze aan hem niet kon worden toegerekend”. Het Hof achtte het (subsidiair) ten laste gelegde dood door schuld bewezen.

Een andere medische zaak waarin door de verdediging werd betoogd dat het vereiste causaal verband tussen het handelen van de verdachte en het overlijden van het slachtoffer ontbrak, leidde tot een vonnis van de rechtbank Arnhem van 20 november 2000.[7] Hier werd een verpleegkundige vervolgd voor dood door schuld. Het overlijden van het slachtoffer vond plaats een maand nadat de verdachte een fout had gemaakt met het beademingssysteem. Dat leidde tot aanzienlijk letsel (twee klaplongen, een hartstilstand en hersenschade) maar door reanimatie werd de hartfunctie en de ademhaling hersteld. Al gauw kwam men echter tot de conclusie dat de prognose zo slecht was dat verdere behandeling vermoedelijk zinloos was geworden. Daarna werd besloten om de behandeling te staken, waarop het slachtoffer overleed. Volgens de verdediging was het overlijden niet het gevolg van de fout van de verpleegkundige, maar van de beslissing van alle betrokkenen om de behandelingen te staken. Daar lijkt strikt genomen iets in te zitten: indien men de behandeling had voortgezet, was het slachtoffer niet (op die betreffende datum) overleden.

Toch oordeelde de rechtbank ook hier dat het overlijden wel degelijk aan de verdachte kon worden toegerekend. De lichamelijke gevolgen voor de patiënt als gevolg van het handelen van de verdachte leidden volgens de rechtbank rechtstreeks tot de dood van het slachtoffer. Door het handelen van de verdachte belandde het slachtoffer immers in een toestand die zo uitzichtloos was, dat gezegd kan worden dat het slachtoffer als gevolg van de bekomen letsels is overleden. En dat betekende dat het overlijden in redelijkheid aan de verdachte “als ervaren verpleegkundige” kon worden toegerekend.

De leer van de redelijke toerekening bestaat als gezegd al sinds de jaren ’70. Hoewel critici vinden dat deze leer tot onvoorspelbare uitkomsten leidt omdat casus-specifieke elementen zo belangrijk zijn, moeten we het er toch mee doen. De vraag is of dat zo erg is: volgens de Hullu is elk alternatief onwenselijk; dat zou immers inhouden dat er ook een “leer van de onredelijke toerekening” gaat gelden.

Zoals aan het begin van deze bijdrage aan de orde kwam, kijken officieren van justitie niet alleen naar het causale verband. Het strafrecht wordt met name ingezet indien sprake is van grove nalatigheid, of opzettelijk handelen. Naar mijn ervaring liggen daar kansen voor de betrokkenen om argumenten aan te dragen die er toe moeten leiden dat zij niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld.

[1] Zie https://www.om.nl/onderwerpen/medische-zaken/@86290/aanwijzing-0/.
[2] Zie Rechtbank Zutphen 9 november 2012, NJFS 2013, 24.
[3] Zie HR 12 september 1978, NJ 1979, 60.
[4] Mr. J. de Hullu, Materiel Strafrecht, zesde druk, Wolters Kluwer 2015, p.183
[5] Vgl. HR 11 december 2001, NJ 2002, 62. In het concrete geval had de veroorzaker van het ongeluk geen voorrang verleend.
[6] Zie Gerechtshof Amsterdam, 12 oktober 2005, GJ 2005/120.
[7] Zie ECLI:NL:RBARN:2000:AA8371.

Meer informatie

Print dit artikel