• Nieuws

Onder omstandigheden geen onmiddellijke werking van verjaring ingevolge artikel 7:942 (oud) BW

30 mei 2018
Verzekeringsrecht & aansprakelijkheidsrecht

Inleiding

De verjaringsregeling in het verzekeringsrecht is reeds enkele jaren aan verandering onderhevig. De regeling is neergelegd in artikel 7:942 BW. Dit artikel verklaarde voor 1 januari 2006 de algemene regels van Boek 3 van toepassing. Per 1 januari 2006 is het nieuwe verzekeringsrecht in werking getreden, waardoor voor de rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van uitkering een (bijzondere) verjaringstermijn van drie jaar van toepassing werd. Daarnaast gold op basis van artikel 7:942 lid 3 (oud) BW in het geval de verzekeraar aansprakelijkheid afwees een verjaringstermijn van zes maanden, mits dit ondubbelzinnig per aangetekende brief werd medegedeeld. Per 1 juli 2010 is artikel 7:942 BW opnieuw gewijzigd en is de termijn van zes maanden uit het derde lid komen te vervallen. De vraag is nu hoe het zit met het overgangsrecht. Van belang is dat de nieuwe regels in beginsel steeds onmiddellijke werking hadden ingevolge artikel 68a lid 1 Overgangswet NBW. Uit een uitspraak van de Hoge Raad van 18 mei 2018 volgt dat onmiddellijke werking echter niet aan de orde is als dit in concrete omstandigheden onaanvaardbaar is ingevolge de eisen van redelijkheid en billijkheid.

Onmiddellijke werking van de verjaringsregeling artikel 7:942 (oud) BW

De kwestie die voorlag, speelde onder de regelgeving die per 1 januari 2006 van kracht was. Door een brand op 1 maart 2004 is aan de woning van verzekerde aanzienlijke schade ontstaan. De verzekeraar Allianz weigerde dekking te verlenen onder de woonhuisverzekering, omdat volgens haar (onder meer) sprake zou zijn van merkelijke schuld. Nadien heeft verzekerde Allianz verzocht om dit standpunt te wijzigen en alsnog dekking onder de polis te verlenen. Helaas voor verzekerde gaf Allianz te kennen dat zij haar standpunt handhaafde. In 2005 hebben verzekerde en Allianz overleg gevoerd over de omvang van de schade. Verzekerde heeft in 2009 opnieuw verzocht om de schade uit te keren. (Uit de uitspraak volgt niet wat er in de tussentijd is gebeurd.) Allianz beriep zich toen op verjaring ingevolge de polisvoorwaarden en op grond van artikel 7:942 (oud) BW. De verzekerde startte vervolgens een procedure jegens Allianz tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst.

De Hoge Raad oordeelde reeds in 2015 inzake deze kwestie dat de vordering in beginsel niet was verjaard, omdat artikel 7:942 (oud) BW ingevolge artikel 68a lid 1 Overgangswet NBW op 1 januari 2006 onmiddellijke werking heeft (voor deze eerdere uitspraak klik hier). Dit betekent dat de verjaringstermijn uit artikel 7:942 lid 3 (oud) BW pas aanvangt na het moment dat de verzekeraar de aanspraak op uitkering heeft afgewezen op de in artikel 7:942 lid 2 (oud) BW voorgeschreven wijze. In de procedure is niet komen vast te staan dat Allianz de aanspraak conform deze wijze heeft afgewezen.

Hiermee was de zaak echter nog niet beslist nu de Hoge Raad aan het Hof Amsterdam (waar de zaak naar werd terugverwezen) aanwijzingen gaf dat het diende te beslissen over het betoog van Allianz wat betreft de toepasselijkheid van artikel 75 lid 1 Overgangswet NBW, waarin is bepaald dat de onmiddellijke werking onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou kunnen zijn (de zogenaamde onaanvaardbaarheidsexceptie). Het Hof Amsterdam oordeelde vervolgens dat de wijziging van de aanvangsdatum van de verjaring in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Tegen dit oordeel van het hof is (opnieuw) cassatie ingesteld.

Onmiddellijke werking onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat artikel 75 Overgangswet NBW een beperkte mogelijkheid biedt om af te wijken van de hoofdregel. Dit sluit aan bij de terughoudende benadering uit artikel 6:2 lid 2 BW. Daarnaast heeft het hof naar het oordeel van de Hoge Raad juist geoordeeld over het ontbreken van een overweging inzake deze materie in de totstandkomingsgeschiedenis. Daaruit kan worden afgeleid dat de wetgever niet expliciet de gevolgen van onmiddellijke werking van artikel 7:942 BW voor ogen heeft gehad. De onmiddellijke werking zou immers meebrengen dat verzekeraars de nog in behandeling zijnde aanspraken op 1 januari 2006 conform de nieuwe afwijzingsformaliteiten (uit artikel 7:942 lid 2 oud BW) dienden af te wijzen om de verjaring te doen aanvangen. Een laatste overweging waar de Hoge Raad aandacht aan besteedt, is die van het hof waarin het betekenis toekent aan de – overigens onbetwiste – stelling van Allianz dat de onmiddellijke werking zal leiden tot een zeer tijdrovende en kostbare administratieve last. De rechtsbescherming voor de verzekerde die voortvloeit uit artikel 7:942 (oud) BW weegt daar niet tegen op, aldus de Hoge Raad.

Inmiddels zijn de genoemde termijnen (deels) vervangen, maar dit arrest blijft relevant voor de reikwijdte van de onmiddellijke werking. Uit bovenstaand voorbeeld blijkt dat de onaanvaardbaarheidsexceptie onder omstandigheden de onmiddellijke werking kan ontnemen. U kunt hier de volledige uitspraak lezen.

Meer informatie?

Verjaring blijft een moeilijk onderwerp. Onze verzekeringsspecialisten lichten u deze problematiek graag helder toe indien u hierover vragen heeft.

Meer informatie

Nicole de Boer

M +31 6 1283 8115
E n.deboer@ploum.nl

Madelon Zweep

M +31 6 1255 6818
E m.zweep@ploum.nl

Print dit artikel