• Nieuws

Nieuwe Aanwijzing hoge transacties

11 september 2020
Strafrecht, economisch strafrecht en milieustrafrecht

Op 4 september jongstleden is een nieuwe Aanwijzing hoge transacties in werking getreden. In deze aanwijzing is bepaald op basis van welke criteria zogenaamde “hoge transacties” worden aangeboden en welke uitgangspunten hierbij te gelden hebben. Daarnaast wordt de procedure weergegeven waarbij een nieuw element is ingesteld; namelijk de instelling van een onafhankelijke commissie die de transacties marginaal toetst voordat deze worden gepresenteerd aan de verdachte.

Transactie

Een transactie is een vorm van buitengerechtelijke afdoening. Dit houdt in dat van strafrechtelijke vervolging wordt afgezien en er geen tussenkomst is van een rechter die de zaak beoordeelt. In dergelijke gevallen kiest de officier van justitie ervoor om een transactie aan de verdachte aan te bieden, die vervolgens aan één of meerdere voorwaarden dient te voldoen. Deze voorwaarden zijn limitatief opgesomd in artikel 74 Sr. Een transactie heeft als voordeel dat de schuld aan het strafbare feit waar het om draait niet komt vast te staan.

Hoge transactie

De onderhavige aanwijzing betreft de “hoge transacties”. Dit zijn betalingen van een geldsom aan de Staat (ingevolge artikel 74, tweede lid, sub a Sr) met een boetecomponent van €200.000 of meer, en transacties met een totale waarde van €1.000.000 of meer. Hoge transacties worden gewoonlijk aan rechtspersonen aangeboden, gezien het feit dat andere straffen doorgaans niet opgelegd kunnen worden aan hen.

Criteria voor hoge transacties

Voor het antwoord op de vraag of een zaak in aanmerking komt voor een hoge transactie zijn meerdere criteria van belang. Zo wordt er gekeken naar de proceshouding van verdachte, of verdachte de feiten erkent, of verdachte de slachtoffers en/of nabestaande(n) heeft gecompenseerd, naar de maatregelen die verdachte neemt ter voorkoming van herhaling van strafbare gedragingen, en de rol van verdachte bij het aan het licht brengen van de strafbare feiten.[1] Daarnaast hebben ook de criteria te gelden die van toepassing zijn op elke transactie, waaronder de voorwaarde dat er sprake moet zijn van een delict waarop een gevangenisstraf van hoogstens zes jaar staat.

Uiteindelijk bepaalt het OM op grond van praktische afwegingen of zo’n delict hier de orde is of niet.

Om een voorbeeld te geven: indien het om ‘gewoontewitwassen’ gaat (hetgeen strafbaar is gesteld in artikel 420ter Sr) is een transactie niet mogelijk, want op dat delict staat een maximumstraf van 8 jaar. Maar indien het OM meent/stelt dat het om witwassen gaat (420bis Sr), kan een transactie wel worden aangeboden. Want op dat delict staat een maximumstraf van 6 jaar. Het OM maakt deze keuze zelf, waardoor deze eis soms een wassen neus lijkt. Het voorkomt wel (min of meer) dat zware commune delicten als moord of doodslag buiten de rechter om kunnen worden afgedaan.

Erkenning feitelijke gedragingen

Naast bovengenoemde criteria geldt voor de hoge transactie dat de verdachte de feitelijke gedragingen die ten grondslag aan de transactie liggen erkent. Deze erkenning kan afgeleid worden uit de proceshouding van de verdachte gedurende het onderzoek en de maatregelen die de verdachte treft teneinde het plegen van strafbare feiten in de toekomst te voorkomen.[2] Dit houdt echter niet in dat de verdachte tevens schuld dient te erkennen: dat is niet noodzakelijk voor het aanbieden van een transactie.

Over “wat er feitelijk is gebeurd” dient dus min of meer overeenstemming te bestaan, maar er hoeft geen bekentenis te worden afgelegd.

De Toetsingscommissie

Een nieuw element in deze aanwijzing is de aanstelling van een onafhankelijke commissie die het transactievoorstel marginaal toetst. Al langer werd in de politiek de wens kenbaar gemaakt dat transactievoorstellen getoetst dienden te worden door een rechter, nu deze procedure niet openbaar is en derhalve niet inzichtelijk. In afwachting van een dergelijke wet, worden de voorstellen thans getoetst op redelijkheid door de driekoppige Toetsingscommissie bestaande uit een oud-advocaat, een oud-rechter, een hoogleraar straf- en strafprocesrecht, of een oud-officier van justitie. De commissie brengt het advies uit aan het College van procureurs-generaal die op haar beurt bepaalt of de transactie al dan niet aan de verdachte mag worden aangeboden.

Wij zijn erg benieuwd in hoeverre de praktijk door deze nieuwe richtlijn verandert.

[1] Stcrt. 2020, 46166, par. 2.

[2] Kamerstukken II 2018/2019, 29 279, nr. 502.

Meer informatie

Print dit artikel