• Nieuws

Laatste stand van zaken omtrent de afbouw van de salderingsregeling

10 april 2020
Energie

Momenteel stimuleert de salderingsregeling investeringen in zonnepanelen door kleinverbruikers (afnemers met een maximale aansluitcapaciteit van 3×80 Ampère, zoals huishoudens en kleinzakelijke ondernemingen). Kleinverbruikers kunnen elektriciteit die zij door middel van zonnepanelen zelf opwekken en niet verbruiken, invoeden op het net. De elektriciteit die zij invoeden op het net, wordt dan gesaldeerd (oftewel weggestreept) tegen de elektriciteit die zij afnemen van het net op dezelfde aansluiting. Over het gesaldeerde deel hoeven deze kleinverbruikers dus geen energiebelasting en opslag duurzame energie (ODE) te betalen. Daar komt verandering in; de salderingsregeling wordt namelijk aangepast.

De omvorming van de salderingsregeling betreft een afspraak uit het regeerakkoord daterend uit 2017. Ter uitvoering hiervan, besloot het kabinet in april 2019 om de salderingsregeling tot 2023 voort te zetten en vanaf 1 januari 2023 tot 2031 stapsgewijs af te bouwen. Aanleiding hiervoor is de daling van de kosten voor zonnepanelen in de afgelopen jaren, waardoor – volgens het kabinet – kleinverbruikers op termijn minder fiscale stimulering nodig hebben om met zonnepanelen hernieuwbare energie op te wekken. Het kabinet tracht nu door omvorming van de salderingsregeling overstimulering te voorkomen, maar tegelijkertijd beoogt het kabinet om middels een meer kostenefficiënte regeling investeringen in zonnepanelen door kleinverbruikers te blijven stimuleren.

De plannen van het kabinet zijn verder uitgewerkt en neergelegd in het conceptwetsvoorstel “Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Wet belastingen op milieugrondslag ter uitvoering van de omvorming van de salderingsregeling voor kleinverbruikers”. Het conceptwetsvoorstel lag ter consultatie tussen 28 oktober en 25 november 2019.

Onlangs, bij brief van 30 maart jl. , informeerde minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat de Tweede Kamer over de stand van zaken omtrent de afbouw van de salderingsregeling. In zijn brief gaat de minister eerst in op de kern van het voorgenomen wetsvoorstel en vervolgens op de drie belangrijkste punten van nadere uitwerking en actualiteit. Dit wordt hierna kort besproken.

Kern van het wetsvoorstel

Het wetsvoorstel wijzigt de Elektriciteitswet 1998 en de Wet belastingen op milieugrondslag, zodat van 1 januari 2023 tot 1 januari 2031 de salderingsregeling stapsgewijs wordt afgebouwd. Daarnaast bevat het wetsvoorstel een verplichting voor kleinverbruikers om over een meetinrichting te beschikken die de afname en invoeding van elektriciteit op het net apart kan meten.

Het wetsvoorstel en de afbouw van de salderingsregeling heeft enkel effect op de elektriciteit die kleinverbruikers invoeden op het net. Daarvan kan vanaf 1 januari 2023 nog maar slechts een percentage door kleinverbruikers worden gesaldeerd. Dit percentage zal dan geleidelijk worden afgebouwd naar nul per 1 januari 2031. Op deze manier beoogt het kabinet overstimulering te voorkomen, maar tegelijkertijd ook een regeling te bieden waardoor het voor kleinverbruikers financieel aantrekkelijk blijft om te investeren in zonnepanelen.

Drie belangrijkste punten van nadere uitwerking en actualiteit

  1. Definitief afbouwpad salderingsregeling
    Op basis van de inzichten uit de Klimaat- en Energie Verkenning 2019 (KEV 2019) heeft het kabinet het definitieve afbouwpad voor de salderingsregeling bepaald. De in de brief van de minister van 30 maart jl. opgenomen tabel bevat voor de periode 2023-2031 definitieve percentages van ingevoede elektriciteit waarvoor door kleinverbruikers nog gesaldeerd mag worden (in 2023: 91%, in 2024: 82%, etc.). Voor het overige deel van op het net ingevoede elektriciteit zullen kleinverbruikers enkel een redelijke vergoeding van de leverancier ontvangen. Het definitieve afbouwpad leidt nu tot een minder snelle afbouw dan het indicatieve afbouwpad zoals opgenomen in het conceptwetsvoorstel. Beoogd wordt om zo het effect van de afbouw op de terugverdientijd van investeringen in zonnepanelen te verzachten.
  2. Berekening terugverdientijd door TNO
    Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft TNO gevraagd om het effect van de afbouw op de terugverdientijd van investeringen in zonnepanelen te onderzoeken. In het TNO-rapport “Effect afbouwen salderingsregeling op de terugverdientijd van investeringen in zonnepanelen” van 29 januari 2020 zijn de effecten van de afbouw van de salderingsregeling op investeringen in zonnepanelen door verschillende groepen kleinverbruikers (particulieren en eigenaren van utiliteitsgebouwen) in kaart gebracht. Volgens de berekeningen van TNO zou de salderingsregeling in de huidige vorm op termijn tot hogere stimulering dan nodig leiden. Met het definitieve afbouwpad (zoals aangegeven in de tabel) ligt de terugverdientijd voor huishoudens tussen 7 tot 9 jaar, afhankelijk van het moment wanneer geïnvesteerd wordt. Voor kleinverbruikers in de utiliteitssector met een hoog percentage direct eigen verbruik van de opgewekte elektriciteit (bijvoorbeeld kantoren en zorginstellingen) lijkt de afbouw weinig effect op de terugverdientijd te hebben. Bij kleinverbruikers in de utiliteitssector met een lager percentage direct eigen gebruik (zoals scholen, sportaccommodaties en buurthuizen) lopen bij afbouw van de salderingsregeling de terugverdientijden iets op naar 8 tot 10 jaar, afhankelijk van het moment wanneer geïnvesteerd wordt. Op basis hiervan concludeert het kabinet dat de uitwerking van de afbouw van de salderingsregeling al met al tot een voldoende financieel aantrekkelijke terugverdientijd voor kleinverbruikers leidt.
  3. Redelijke vergoeding ingevoede elektriciteit
    Kleinverbruikers die meer elektriciteit op het net invoeden dan zij afnemen, ontvangen momenteel daarvoor een redelijke vergoeding van hun energieleverancier. In zijn brief van 30 maart jl. geeft de minister aan dat hij het belangrijk vindt dat deze redelijke vergoeding wordt gehandhaafd. Temeer nu door de afbouw van de salderingsregeling het deel van de ingevoede elektriciteit dat niet langer voor saldering in aanmerking komt per jaar groter zal worden. De opbrengst voor een kleinverbruiker daarover bestaat derhalve uitsluitend uit de vergoeding die de energieleverancier daarvoor geeft. In het conceptwetsvoorstel is daarom opgenomen dat bij Algemene Maatregel van Bestuur een minimum kan worden bepaald voor de vergoeding die een energieleverancier aan zijn klant moet betalen voor de ingevoede elektriciteit. Het voornemen van de minister is om dit wettelijk minimum vast te stellen op 80% van het leveringstarief dat de kleinverbruiker heeft afgesproken met de energieleverancier, exclusief belastingen. Op termijn zal volgens de minister het echter wenselijk zijn dat er meer marktwerking ontstaat en dat een kleinverbruiker zelf kan bepalen aan wie en onder welke voorwaarden de zelfopgewekte en ingevoede elektriciteit wordt verkocht.

Vervolgproces

De minister geeft ten slotte in zijn brief aan dat het de bedoeling is om het bijgewerkte wetsvoorstel op korte termijn voor advies voor te leggen aan de Raad van State, alsmede dat hij ernaar streeft om het bijgewerkte wetsvoorstel voor het zomerreces aan te bieden aan de Tweede Kamer. Wij zullen u in ieder geval op de hoogte houden van verdere ontwikkelingen.