• Nieuws

Hoge Raad spreekt zich uit over loondoorbetaling na alsnog terecht ontslag op staande voet

19 juli 2018
Arbeidsrecht

De WWZ heeft veel wijzigingen én ten tijde van het wetgevingsproces niet onderkende vragen meegebracht. Één van die vragen was of een op staande voet ontslagen werknemer recht blijft houden op loon over de periode na dit ontslag indien de kantonrechter het ontslag heeft vernietigd, maar het hof in hoger beroep het ontslag als terecht gegeven heeft aangemerkt.

Het kan toch niet waar zijn?

Tijdens ons seminar kwam het al ter sprake: mogelijk kost een terecht ontslag op staande voet de werkgever alsnog geld. Op dat moment heerste hierover onzekerheid. Lagere rechtspraak was verdeeld en het was wachten op de Hoge Raad. Voor een goed begrip volgt uitleg aan de hand van een fictieve casus.

Werknemer Jansen is in dienst bij Pietersen B.V. Op een dag wordt hij betrapt op diefstal van contant geld uit de kas. Jansen wordt op staande voet ontslagen.

Jansen is het niet eens met het ontslag. Hij vraagt de kantonrechter om het ontslag op staande voet te vernietigen. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet onterecht was, omdat Jansen een lang en onberispelijk dienstverband heeft en het maar om een klein geldbedrag ging. De kantonrechter vernietigt daarom het ontslag op staande voet. Het gevolg daarvan is dat de arbeidsovereenkomst voortduurt en dat Pietersen B.V. verplicht is de loonbetaling terugwerkend tot het moment van het ontslag te hervatten.

Pietersen B.V. gaat echter in hoger beroep. Het hof geeft Pietersen B.V. gelijk: dat het om een relatief gering bedrag ging en dat de gevolgen van het ontslag voor Jansen ernstig zijn, weegt niet op tegen de ernst van het feit zelf. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet dus ten onrechte vernietigd. Op grond van de wet moet het Hof alsnog bepalen dat en wanneer de arbeidsovereenkomst is geëindigd, en de wet bepaalt dat dit niet met terugwerkende kracht kan. Het vroegst mogelijke moment is dus de datum van de uitspraak van het Hof zelf.

De arbeidsovereenkomst heeft dus uiteindelijk doorgelopen tot aan de datum van de hofuitspraak. De vraag is nu of Jansen al die tijd zijn recht heeft behouden op loon, omdat hij nog in dienst was. Of heeft Jansen het ontslag, dat terecht is bevonden door het hof,  aan zichzelf te wijten en hoeft Pietersen B.V. hem daarom niet door te betalen? Pietersen B.V. heeft immers een goede reden gehad om Jansen niet aan het werk te laten.

Een foutje van de wetgever?

Het lijkt erop dat de wetgever bij de invoering van hoger beroep in arbeidszaken niet goed over deze situatie heeft nagedacht. Doordat het hof alleen maar een toekomstige einddatum voor de arbeidsovereenkomst kan kiezen, blijft de arbeidsovereenkomst in dit soort gevallen altijd doorlopen. In de literatuur was een flinke discussie over het recht op loon van een werknemer in een dergelijke situatie. Het feit dat Jansen niet werkt, komt immers in feite door Pietersen B.V., die hem niet aan het werk wil laten. Dat zou dan wellicht ook voor rekening van Pietersen B.V. moeten komen, maar aan de andere kant heeft Pietersen B.V. (uiteindelijk) goede redenen gehad om Jansen niet toe te laten op het werk. De loonvordering van Jansen kan in theorie flink oplopen, zeker als de procedures bij de kantonrechter en het hof veel tijd in beslag nemen. Dat zou werkgevers huiverig maken voor een ontslag op staande voet. Ook als uiteindelijk blijkt dat het ontslag terecht was, zou immers alsnog een flink bedrag aan loon, wettelijke verhoging en wettelijke rente uitbetaald moeten worden. Dat voelt onrechtvaardig.

De Hoge Raad komt met een oplossing

De Hoge Raad heeft zich nu uitgesproken over deze problematiek. De Hoge Raad oordeelt dat de wetgever deze situatie inderdaad niet specifiek onder ogen heeft gezien, maar dat deze situatie wel zeer onredelijk uitpakt voor werkgevers. Dat kan niet de bedoeling zijn geweest. Omdat een ontslag op staande voet is bedoeld voor uitzonderlijke situaties, waarin de werknemer zich zó misdraagt dat zijn arbeidsovereenkomst ogenblikkelijk moet eindigen, past daarbij niet dat de werknemer om procestechnische redenen kan profiteren van een enorme loonvordering. Kortom: in situaties als hierboven geschetst, stopt het recht op loon per datum van het ontslag op staande voet.

Hoeft het loon nooit te worden betaald in deze situatie?

De Hoge Raad geeft aan dat er bijzondere omstandigheden kunnen zijn, waardoor de werknemer toch (gedeeltelijk) recht heeft op loon. Het is dan aan de werknemer om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hij in redelijkheid toch recht heeft op loon, ondanks het geldig gebleken ontslag op staande voet. De Hoge Raad noemt hierbij een aantal relevante gezichtspunten: onder meer de ontslaggrond, hoe groot het verwijt is dat aan de werknemer kan worden gemaakt en de reden waarom de kantonrechter het ontslag in eerste instantie heeft vernietigd. De Hoge Raad gaat niet trouwens niet in op de situatie waarin na vernietiging van het ontslag niet alleen de loonbetaling wordt hervat, maar ook het werk zelf. Aangenomen mag worden dat in dát geval de werknemer recht blijft houden op het loon wanneer het hof het ontslag als terecht gegeven beoordeelt. Wel bestaat dan nog de mogelijkheid om de rechter te vragen om een loonmatiging, omdat loondoorbetaling in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn voor de werkgever. Dat is echter een strenge toets.

Conclusie: een juiste beslissing

De uitspraak van de Hoge Raad is niet primair gebaseerd op een uitleg van de wet en wetsgeschiedenis zelf, maar veel meer op de wens om een niet goed te verdedigen ‘krom’ resultaat te voorkomen. Ontslag op staande voet blijft een traject met hindernissen en mogelijke verrassingen, maar met de uitspraak van de Hoge Raad is één van de ondoordachtheden van de WWZ opgelost.

Meer weten over het ontslagrecht, loonvorderingen of andere perikelen op de werkvloer? Of overweegt u een ontslag op staande voet? Neem dan contact op met onze sectie Arbeidsrecht.

Meer informatie

Simon Tan

M +31620419002
E s.tan@ploum.nl

Print dit artikel