• Nieuws

Hof van Justitie EU: wijziging persoon van de aangever in douaneaangifte mogelijk

20 juli 2020
Douane, handel en logistiek - Douane - Douane, handel en logistiek

Kan de persoon van de aangever in de douaneaangifte achteraf worden gewijzigd? Deze interessante vraag op douanegebied heeft het Hof van Justitie op 16 juli 2020 bevestigend beantwoord[1]. Dit betekent dat een douaneaangifte op grond van artikel 78 CDW[2] zodanig mag worden herzien dat de oorspronkelijke aangever wordt vervangen door de naam van een andere persoon. Een interessante uitspraak omdat deze tegengesteld is aan eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad en wellicht nieuwe mogelijkheden voor importeurs biedt om aangiften achteraf te wijzigen.

Schuldenaren in het douanerecht

Uitgangspunt in het douanerecht is dat de aangever wordt aangemerkt als de douaneschuldenaar.  Na invoer en aangifte bij de douane zal de aangever dus door de douane verantwoordelijk worden gehouden voor de verschuldigde douanerechten.

De aangever is de persoon die in eigen naam een douaneaangifte indient, dan wel de persoon namens wie deze aangifte wordt ingediend[3]. In dat laatste geval is sprake van zogenoemde ‘directe vertegenwoordiging’. De douanevertegenwoordiger (meestal een douane-expediteur) heeft dan een machtiging gekregen om de aangifte op naam en voor rekening van zijn opdrachtgever (vaak: de importeur) in te dienen. Daarmee is de opdrachtgever van de douane-expediteur aangever in de douaneaangifte en derhalve richting de douane aansprakelijk voor de douanerechten. Een andere variant waarvan geregeld gebruik wordt gemaakt is de zogenoemde ‘indirecte vertegenwoordiging’. In dat geval heeft de douanevertegenwoordiger (‘douane-expediteur’) een machtiging van zijn opdrachtgever gekregen om de douaneaangifte in eigen naam, maar voor rekening van de opdrachtgever in te dienen. De douane-expediteur blijft dan dus de aangever in de douaneaangifte. Bij indirecte vertegenwoordiging kan de douane zowel de aangever als de indirect vertegenwoordigde aanspreken voor de verschuldigde douanerechten.

Arrest van het Hof van Justitie

In deze zaak heeft (dochter)onderneming Zaharul Oradea, gevestigd in Roemenië (“Oradea”), rietsuiker uit Brazilië gekocht die bestemd was om in de in Duitsland gevestigde fabriek van (moeder)onderneming Pfeifer & Langen (“Pfeifer”) te worden geraffineerd om deze daarna aan laatstgenoemde te verkopen. Omdat Oradea over een zogenoemd invoercertificaat beschikte, kon zij de rietsuiker tegen een verlaagd invoerrecht invoeren. Zij had daarom een machtiging aan Pfeifer gegeven om de douaneaangifte namens haar in te dienen, zodat Oradea dus in de douaneaangifte als aangever zou worden vermeld. Pfeifer diende de aangifte echter – ondanks de verstrekte machtiging – op eigen naam in, maar maakte wel gebruik van het invoercertificaat van Oradea. Wel verstrekte zij bij de aangifte een afschrift van de verleende machtiging. De douane heeft de aangifte aanvaard en het verlaagde tarief toegepast. Pfeifer heeft vervolgens aan de douane verzocht om de douaneaangifte te herzien en de aangever te wijzigen in Oradea, omdat zij er niet zeker van was dat zij in aanmerking kwam voor het verlaagde douanetarief.

De douane heeft het herzieningsverzoek niet geaccepteerd en vorderde vervolgens de douanerechten bij Pfeifer na voor het verschil tussen het normale douanetarief en het verlaagde tarief op basis van het invoercertificaat. Pfeifer was immers, zo stelde de Duitse douane, in de douaneaangifte de aangever en beschikte niet over een invoercertificaat.

De vraag die het Hof van Justitie moest beantwoorden is of in de douaneaangifte op grond van art. 78 CDW de naam van de aangever (in casu: Pfeifer) kon worden vervangen door de naam van Oradea (aan wie het invoercertificaat was afgegeven). AG-Hogan had deze vraag in zijn eerdere, lezenswaardige, conclusie reeds bevestigend beantwoord[4].

In zijn eindbeslissing komt het Hof van Justitie tot hetzelfde oordeel. Indien een aangever (door middel van de aangifte) heeft verklaard uitsluitend in eigen naam te handelen, terwijl hij de opdracht had gekregen om de douaneaangifte in naam en voor rekening van een derde te doen, dan mag de aangifte na de vrijgave van de goederen op grond van art. 78 CDW zodanig worden herzien dat de volmachtgever (Oradea) als aangever wordt vermeld. Wel stond in dit geval vast dat er, voor het indienen van de douaneaangifte, al een machtiging aan Pfeifer was afgegeven om de douaneaangifte namens Oradea in te dienen (en dat deze ook aan de douane was verstrekt).

Een interessant arrest van het Hof van Justitie, waarin het Hof er terecht op wijst dat de tekst van artikel 78 CDW er niet aan in de weg staat dat deze situatie onder deze bepaling kan vallen en dat bovendien het doel van deze bepaling is om de douaneprocedure af te stemmen op de werkelijke situatie.

Gevolgen voor de praktijk

Het Hof van Justitie heeft hiermee een ander oordeel gegeven dan volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad[5]. De Hoge Raad oordeelde namelijk op 13 maart 2015 dat een wijziging van de aangever niet mogelijk is, omdat dit zou leiden tot het vervangen van de oorspronkelijke aangifte door een aangifte van een ander. Een dergelijke vervanging is, aldus de Hoge Raad, van een andere orde dan het wijzigen van andere gegevens in de douaneaangifte, zoals bijvoorbeeld de douanewaarde of de voorafgaande douaneregeling.

Per 1 mei 2016 is artikel 78 CDW komen te vervallen. In de huidige douanewetgeving, het Douanewetboek van de Unie, is de mogelijkheid om de douaneaangifte te herzien anders geformuleerd dan voorheen in het CDW. Volgens artikel 173, lid 3 DWU kan herziening binnen drie jaar na het doen van de douaneaangifte plaatsvinden, indien de aangever daarmee “zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling kan nakomen”. Niet duidelijk is hoe deze bepaling moet worden uitgelegd en wat de reikwijdte hiervan is. Ook over de uitleg van deze bepaling zal het Hof van Justitie zich ongetwijfeld in de (nabije) toekomst moeten gaan buigen.

[1] Hof van Justitie EU van 16 juli 2020, zaak C-97/19.

[2] Artikel 78 CDW was geldig tot 1 mei 2016 en bood de douane de mogelijkheid om de aangifte na vrijgave van de goederen te wijzigen.

[3] art. 5 lid 15 Douanewetboek van de Unie – voorheen art. 5 Communautair Douanewetboek.

[4] Conclusie A-G HvJ EU, nr. C-97/19 (Pfeifer & Langen), 25 februari 2020 (ECLI:EU:C:2020:108).

[5] Hoge Raad nrs. 13/04052 en 14/04224 van 13 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:550 en       ECLI:NL:HR:2015:519).)

Meer informatie

Arjan Wolkers

M +31 6 8013 8048
E a.wolkers@ploum.nl

Print dit artikel