• Nieuws

Hoe vindt de opsporing en vervolging van milieucriminaliteit in Nederland plaats?

02 november 2018
Bestuursrecht - Milieu - Strafrecht, economisch strafrecht en milieustrafrecht - Handhaving en sancties

Onlangs verscheen een Europees rapport waarin de Nederlandse aanpak van milieucriminaliteit wordt beschreven. Dit rapport telt maar liefst 180 pagina’s. Wat staat er in een dergelijk rapport en waarom wordt het opgemaakt? Een korte samenvatting.

Waarom een Europese evaluatie?

Het rapport vloeit voor uit een bezoek van EU-ambtenaren, dat weer voortkomt uit internationale afspraken (het zogenoemde Gemeenschappelijk Optreden 97/827/JBZ van 5 December 1997) die al sinds 1997 bestaan. De bestrijding van milieucriminaliteit wordt in de “Raadsconclusies van 18 mei 2017 inzake de vaststelling van de prioriteiten van de EU voor de bestrijding van georganiseerde en zware internationale criminaliteit voor de periode tussen 2018 en 2021als een van de prioriteiten van de EU genoemd.

Het rapport bevat een uitgebreide beschrijving van alle programma’s en al het beleid dat Nederland heeft op het gebied van de aanpak van milieucriminaliteit. Ook wordt beschreven welke instanties welke rol hebben bij de aanpak van milieucriminaliteit, hoe de betrokken ambtenaren worden opgeleid en wat het regelgevend kader is bij bijvoorbeeld de uitwisseling van informatie. Ook komt aan de orde hoe het formeel en het materiële recht in elkaar zitten.

Dit geeft een mooi en gedetailleerd beeld van hoe de opsporing en vervolging werken, en dat maakt het rapport lezenswaardig voor eenieder die zich afvraagt hoe het nu precies werkt in Nederland.

Het rapport focust daarbij op de illegale handel in afval, en naar de illegale productie van en omgang met gevaarlijke stoffen – het begrip milieucriminaliteit an sich is te algemeen.

Complimenten voor Nederland

Nederland wordt gecomplimenteerd met de “Nationale Landelijke Handhavingsstrategie” en met het “systeem van verschillende strategische documenten die de handhavingsdiensten helpen om de prioriteiten op nationaal en regionaal niveau te implementeren”. De Handhavingsstrategie wordt beschreven als een beleidsrichtlijn die zowel op bestuursrechtelijk als op strafrechtelijk gebied geldt voor alle instanties die zich met milieucriminaliteit bezighouden. De strategie is hier te vinden.

Ook wordt het “Nationaal dreigingsbeeld georganiseerde criminaliteit” genoemd, dat jaarlijks wordt opgemaakt en dat ook een dreigingsbeeld van milieucriminaliteit omvat. Het dreigingsbeeld kan hier gevonden worden.

Als laatste wordt specifiek de “Nationale Intelligence Agenda: zware milieucriminaliteit” genoemd als het gaat om overheidsbrede plannen voor de aanpak van milieucriminaliteit.

Wie beslist welke zaak wordt opgepakt?

Bij de besluitvorming over de vraag welke zaken worden opgepakt, speelt de “Strategische Milieukamer”  een belangrijke rol.

De Strategische Milieukamer bestaat uit:

  • de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket (voorzitter);
  • de inspecteur-generaal van de inspectie Leefomgeving en Transport (ILT);
  • de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA);
  • de portefeuillehouder milieucriminaliteit namens de landelijke politie;
  • het lid van de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland bevoegd voor het milieu namens de provinciën en de gemeenten (en de omgevingsdiensten);
  • de inspecteur-generaal van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW), wat betreft de arbeidsomstandigheden in bedrijfstakken die gevaarlijke stoffen verwerken (boven een bepaalde drempel).

Bij de besluitvorming speelt informatie uit de “Inspectieview Milieu” een belangrijke rol.

Inspecteurs (toezicht) hebben toegang tot Inspectieview Milieu. Inspectieview is een systeem waarmee informatie over inspecties en handhaving kan worden uitgewisseld tussen overheids-organisaties. Er bestaan momenteel drie verschillende versies van inspectieview: Inspectieview Bedrijven, inspectieview Milieu en inspectieview Binnenvaart.

De ILT is de beheerder en eigenaar van deze systemen en functionarissen van andere organisaties mogen er gebruik van maken. Toegang tot en uitwisseling van informatie zijn voor de betrokken organisatie van vitaal belang voor het gezamenlijk en op gecoördineerde wijze organiseren van toezicht en handhaving. Een ander leidend beginsel is dat inspecties moeten worden uitgevoerd door “de overheid als geheel”, zodat wordt voorkomen dat diverse toezichthoudende organisaties na elkaar op bezoek komen.

Inspectieview Milieu levert informatie over inspecties (of en wanneer entiteiten door inspecteurs zullen worden bezocht) en overtredingen (of er tijdens eerdere inspecties overtredingen zijn vastgesteld). Functionarissen hebben geen toegang tot documenten (zoals inspectieverslagen of brieven over interventies) via inspectieview Milieu, maar moeten deze documenten rechtstreeks bij de respectieve instantie opvragen. De NVWA is aangesloten op inspectieview Milieu en de politie en het OM krijgen in de nabije toekomst toegang. De politie heeft ook toegang tot de andere versies van inspectieview (Bedrijven en Binnenvaart).

Conclusies?

De conclusie van het rapport is dat er in Nederland op zichzelf voldoende capaciteit is voor het vervolgen en bestraffen van afvalcriminaliteit. Het systeem is, ook qua opleidingen en qua beslissingsmodellen en structuren, goed. Hierbij wordt onder andere de toegevoegde waarde van de Strategische Milieukamer genoemd. De complexe aard van de misdrijven vormt echter wel een belemmering. Het Inspectieteam vraagt zich daarom zelfs hardop af of de rechtbanken milieucriminaliteit wel serieus genoeg neemt (!).

Ook is er ruimte voor verbetering als het gaat om de samenwerking tussen de omgevingsdiensten onderling, maar ook tussen de omgevingsdiensten, de douane en de politie.

Specifiek op het gebied van het afvalstoffen-recht beveelt het rapport aan dat er een procedure komt waarin wordt bepaald of een stof als afvalstof moet worden beschouwd of als product. Het rapport vindt dat daar nationale richtlijnen over moeten worden opgesteld. Als concreet voorbeeld worden stookoliemengsels genoemd. Maar ook op het gebied van de “einde-afval criteria” zouden landelijke bepalingen moeten komen.

Opgemerkt wordt ook dat Rotterdam, met de grootste haven van Europa, de aandacht van inspecties moet blijven krijgen als het gaat om afvalstromen. Bij de douane dient daarom ook voldoende specialistische capaciteit aanwezig te zijn.

Teveel afval lijkt te worden aangemerkt als dierlijk bijproduct, waar de Europese Afvalstoffenverordening (EVOA) niet voor geldt.

Aanbevelingen

Het rapport doet aanbevelingen die Nederland binnen 18 maanden uitgevoerd dient te hebben. Deze aanbevelingen zijn onder andere:

  • De douane dient meer betrokken te worden bij de opsporing en vervolging van milieucriminaliteit;
  • De landelijke autoriteiten dienen statistische informatie te vergaren en te publiceren;
  • Op landelijk niveau moet meer aandacht worden besteed aan overbrengingen vanuit Nederland;
  • De omgevingsdiensten moeten beter samenwerken en communiceren;
  • Er moeten richtsnoeren komen voor het onderscheid tussen producten en afvalstoffen;

Ook worden er aanbevelingen aan andere lidstaten gedaan op grond van de goede werkwijzen (‘best practices’) die Nederland heeft. Hieronder vallen:

  • Het oprichten van een kenniscentrum voor wetgeving en jurisprudentie;
  • De aanwezigheid van een gespecialiseerde politiefunctionaris bij elke politie-eenheid;
  • De inrichting van een Landelijke Milieukamer;
  • Het laten rouleren van de inspecteurs die belast zijn met de controle van grote ondernemingen;

Meer informatie

Print dit artikel