• Nieuws

Hoe een rechtspersoon kan worden vrijgesproken van een strafbaar feit terwijl degenen die daar werkzaam zijn wél de fout in zijn gegaan

06 juni 2019
Strafrecht, economisch strafrecht en milieustrafrecht - Handhaving en sancties

In een GGZ-instelling in Eindhoven (hierna te noemen als: de Stichting) waar klinische en poliklinische zorg wordt geleverd overleed een patiënte na de toediening van een medicijn waar ze overgevoelig voor was. De overgevoeligheid zou niet tijdig zijn herkend, waardoor de noodzakelijke behandeling uitbleef.

De officier van justitie rekende dit de Stichting dermate zwaar aan dat het tot een strafrechtelijke vervolging kwam. Het OM vond met name dat de Stichting had moeten optreden vanwege de signalen dat de werkdruk te hoog was. “Hoeveel fouten moeten er dan worden gemaakt en hoeveel patiënten moeten er overlijden?”, had de Officier van justitie zich in zijn requisitoir hardop afgevraagd. In het requisitoir van het OM werd tevens geconcludeerd dat de Stichting een strafrechtelijke grens had overschreden waarvoor zij zich diende te verantwoorden.

Uitspraak rechtbank Oost-Brabant

Op 20 mei jongstleden deed de rechtbank Oost-Brabant uitspraak in deze zaak (zie ECLI:NL:RBOBR:2019:2829). De rechtbank concludeerde dat er vele fouten werden gemaakt. Toch werd de Stichting vrijgesproken. Hoe kan dat?

Het is evident dat alleen natuurlijke personen handelingen kunnen verrichten, of juist kunnen nalaten om handelingen te verrichten. Het overlijden van de patiënt was het gevolg van handelingen (of het gebrek daar aan) van natuurlijke personen: artsen en verpleegkundigen. Wanneer in dergelijke gevallen een rechtspersoon wordt vervolgd (die wettelijke mogelijkheid wordt geboden in het Wetboek van Strafrecht), speelt altijd de vraag in hoeverre de handelingen van deze natuurlijke personen aan de rechtspersoon zijn toe te rekenen. In juridische taal heet dat “functioneel daderschap”. Juristen spreken in dit verband dan altijd over de “IJzerdraad-criteria” en het “Drijfmest-arrest”: in die zaken zijn een aantal belangrijke aspecten vastgelegd in jurisprudentie. Ik schreef hier al eerder iets over in maart 2017.

Relevante feiten en omstandigheden

In de onderhavige zaak bespreekt de rechtbank allereerst de relevante feiten en omstandigheden. Op basis van deze feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat de professionals (bestaande uit een arts in opleiding tot specialist en haar supervisor), het verplegend personeel en de overige betrokken medici hun zorgplicht hebben geschonden. Hierdoor hebben zij niet gehandeld zoals van redelijk handelende en bekwame medische professionals mag worden verwacht.

De rechtbank meent dat door een opeenstapeling van tekortkomingen in de zorg de patiënte is komen te overlijden. Zo was de overdracht van de patiënte al onzorgvuldig. Van continuïteit in de zorg was geen sprake (‘vanwege de meivakantie’). De bezetting werd daardoor als onvoldoende ervaren, en de werkdruk werd als te hoog ervaren. Het Elektronisch Patiëntendossier werd onvoldoende bijgehouden. Er was geen behandelplan en geen verpleegplan terwijl dit bij een opname wel is vereist. Er was sprake van verwaarlozing en vervuiling. Bovendien vertoonde het slachtoffer een aantal verschijnselen die (ook volgens de rechtbank) reden hadden moeten zijn om te denken dat er wellicht een serieuze acute klacht was. En tot slot was er al eerder sprake van verstoord contact met de ouders en de familie van het slachtoffer. Een behoorlijke lijst aan gebreken dus.

Juridisch kader

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld in hoeverre deze tekortkomingen zijn toe te rekenen aan de Stichting: die wordt immers vervolgd voor het plegen van een strafbaar feit – in dit geval “dood door schuld” (artikel 307 WvSr).

De rechtbank onderscheidt twee vragen, namelijk 1) of er bij de Stichting sprake is van “schuld” in de zin van de tenlastelegging en 2) of de ten laste gelegde gedragingen (verricht door de natuurlijke personen) aan de Stichting kunnen worden toegerekend. Wanneer er geen sprake is van “schuld” zoals in de tenlastelegging is opgenomen, kan het feit niet worden bewezen. De term “schuld” maakt namelijk in dit geval deel uit van die tenlastelegging, welke in zijn geheel moet worden bewezen. Anders dient vrijspraak te volgen. En dat is precies waar het hier op stukloopt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de kerntaak van de Stichting bestaat uit “het scheppen van voorwaarden voor kwalitatief goede zorg voor patiënten” en het “zorg dragen voor een zodanige inrichting van de organisatie dat de professionals hun taken naar behoren kunnen uitoefenen”. Als de Stichting deze taken naar behoren heeft vervuld, is er geen sprake van verwijtbaar handelen, en dus ook geen schuld in de zin van de tenlastelegging. De rechtbank redeneert verder als volgt.

Hoewel een klinische opname niet gebruikelijk is, behoort alleen de opname zelf tot de kerntaak van de Stichting. Daarnaast is in de relevante periode, ondanks de lage personeelsbezetting, wel voldaan aan de normen van de Zorgautoriteit. Na het overlijden van de patiënte is de bezetting verhoogd en ook is een verbeterprogramma doorgevoerd. Verder was het geldende (opleidings-)protocol van de arts in opleiding tot specialist voldoende gewaarborgd, nu zij te allen tijde terechtkon bij haar collega specialisten. Ook mocht de Stichting vertrouwen op de kwaliteit van de betrokken medici, nu zij allen BIG-geregistreerd waren. Bovendien is voldoende zorg gedragen voor het instrueren van de werknemers over een specifiek geneesmiddel dat de patiënte kreeg toegediend. Het protocol was digitaal raadpleegbaar. Tot slot heeft bij de beoordeling een rol gespeeld dat de Stichting over een Raad voor kwaliteit en veiligheid beschikte waarbinnen noodmeldingen vanaf de werkvloer werden besproken en zo nodig verbeterprogramma’s werden opgesteld.

Dat betekent dat de rechtbank niet bewezen achtte dat de Stichting “schuld” heeft gehad aan het intreden van de dood van het slachtoffer. Daarom wordt niet toegekomen aan de vervolgvraag, of de gedragingen van de medische professionals aan de Stichting kunnen worden toegerekend. Want al zou dat zo zijn: dan nog kan het bestanddeel “schuld” in de tenlastelegging niet worden bewezen, aldus de rechtbank.

Vrijspraak

De Stichting wordt dus vrijgesproken van hetgeen haar ten laste is gelegd, terwijl wordt geconcludeerd dat het slachtoffer vermoedelijk is overleden ten gevolge van het nalaten van artsen en verpleegkundig personeel. Zo ontstaat de interessante situatie dat aan de natuurlijke personen harde verwijten kunnen worden gemaakt met betrekking tot een schending van de zorgplicht, terwijl de “overkoepelende” rechtspersoon vrijuit gaat.

Althans: vooralsnog. Het OM is inmiddels in hoger beroep gegaan. Ik sluit niet uit dat het Gerechtshof deze complexe situatie anders beoordeelt.

Meer informatie

Print dit artikel