• Nieuws

Geen loonaanspraak bij ziekte als zonder deugdelijke grond geen passende arbeid wordt verricht

03 juli 2014
Arbeidsrecht - Ploum over Arbeid

Tot voor kort was niet duidelijk of een arbeidsongeschikte werknemer, die zonder deugdelijke grond weigerde passende arbeid te verrichten (artikel 7:629 lid 3 sub c BW) of zonder deugdelijke grond weigerde mee te werken aan de redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om hem in staat te stellen passende arbeid te verrichten (artikel 7:629 lid 3 sub d BW), aanspraak behield op het loon voor het deel dat hij volledig arbeidsongeschikt was. Met andere woorden: mag de werkgever in dergelijke gevallen de loonbetaling geheel staken of uitsluitend voor het gedeelte dat de werknemer weigerachtig is?

In de rechtspraak zijn hierover uiteenlopende oordelen te vinden. Hof Amsterdam heeft in een arrest van 7 april 2005 (JAR 2005, 111) geoordeeld, dat de werknemer uitsluitend het recht op loon verliest over de periode gedurende welke de werknemer weigert reïntegratiewerkzaamheden te verrichten. Hof Amsterdam heeft dit gemotiveerd door te stellen dat de zinsnede “voor de tijd gedurende welke”, zoals opgenomen in artikel 7:629 lid 3 sub c BW, betrekking heeft op de reïntegratie-uren. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in een arrest op 23 juli 2013 echter geoordeeld, dat de loonsanctie van artikel 7:629 lid 3 BW erop gericht is om te bevorderen dat de werknemer al hetgeen doet om te herstellen. Daaronder valt volgens het Hof het aanvaarden van reïntegratiewerkzaamheden, waarbij de loonsanctie een prikkel is tot nakoming. Volgens het Hof is er wel sprake van een dergelijke prikkel als de werknemer volledig het recht op loondoorbetaling verliest en niet of nauwelijks indien de werknemer uitsluitend het recht op loon verliest over de periode dat de werknemer werkzaamheden zou moeten hervatten. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft verder overwogen, dat Hof Amsterdam in zijn arrest van 7 april 2005 er ten onrechte van is uitgegaan dat de wetsgeschiedenis op dit cruciale punt geen uitsluitsel geeft. Hof Amsterdam en Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelden over dezelfde (rechts)vraag dus verschillend.

De Kantonrechter te Utrecht diende onlangs evenzeer over deze vraag te oordelen: in die zaak stelde de werknemer zich op het standpunt dat hij recht had op doorbetaling van het loon voor de periode dat hij volledig arbeidsongeschikt was en derhalve uitsluitend de loonaanspraak verloor over de periode dat hij de passende arbeid niet verrichtte of weigerde aan redelijke voorschriften mee te werken. De Kantonrechter te Utrecht heeft – gelet op de bestaande onduidelijkheid in de rechtspraak – besloten om een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen over de uitleg van artikel 7:629 lid 3 (sub c en d) BW.

De Hoge Raad heeft op 6 juni 2014 arrest gewezen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat sprake is van volledig verlies van de loonaanspraak in de gevallen als omschreven in artikel 7:627 lid 3 sub c BW. Om tot deze conclusie te komen heeft de Hoge Raad de woorden “voor de tijd, gedurende welke” als opgenomen artikel 7:629 lid 3 sub c BW in de context geplaatst van de andere gevallen als benoemd in artikel 7:629 lid 3 onder b en d tot en met f BW (hierin zijn andere gevallen benoemd waarin de werknemer loonaanspraak verliest), waarbij de Hoge Raad stelt dat die woorden in de bedoelde gevallen slechts betekenis toekomt indien deze worden uitgelegd als“de periode waarin” de werknemer het desbetreffende gedrag vertoont. De Hoge Raad acht het dan niet aannemelijk om dezelfde woorden in artikel 7:629 lid 3 onder c BW (het weigeren om passende arbeid te verrichten) een andere betekenis te geven. De Hoge Raad wijst er verder op dat deze uitleg wordt gesteund door het feit dat uit artikel 7:627 BW voortvloeit dat geen loon is verschuldigd voor niet gewerkte uren en ook dat uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot artikel 7:629 lid 3 onder c BW volgt, dat de loonsanctie erop is gericht om de werknemer te stimuleren zijn herstel en reïntegratie te bevorderen en dat de sanctie op overtreding is dat de werknemer zijn recht op loondoorbetaling verliest.

Het arrest van de Hoge Raad heeft dus de noodzakelijke duidelijkheid gebracht: indien de werknemer deels volledig arbeidsgeschikt is en deels in staat wordt geacht om passende werkzaamheden te verrichten, maar weigerachtig is om deze passende werkzaamheden te verrichten, verliest de werknemer volledige loonaanspraak.

Meer weten? Kijk op ploumoverarbeid.nl