• Nieuws

De rechter en Brexit

31 augustus 2018
Brexit

De uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de EU en de regels die daarvoor op enigerlei moment zullen gelden, zullen waarschijnlijk nog jarenlang tot velerlei juridische procedures bij de rechter leiden. Het ontrafelen van het juridische breiwerk dat in de loop der jaren tussen de EU en het VK is ontstaan, zal heel veel rechtsvragen oproepen. Ook al staan veel (overgangs-)regelingen volstrekt nog niet vast, voorbeelden van veel van dat soort vragen en geschillen zijn al gemakkelijk aan te wijzen. Zo is er een Europese regeling over de validatie van diploma’s van cockpitbemanningen voor vliegtuigen, die binnen de EU en ook in het vliegverkeer met derde landen (niet-EU lidstaten) worden gebruikt. Na de Brexit zal gemakkelijk een geschil bij de rechter kunnen ontstaan tussen enerzijds een nationale toezichthouder voor de sector in de EU27 en anderzijds een Engelse luchtvaartmaatschappij en piloten met een Engels diploma. Na 29 maart 2019 als de Brexit mogelijk al een feit is geworden, zullen zich veel van dit soort geschillen kunnen voordoen. Een regeling ter oplossing van een geschil moet hetzij via de rechter, hetzij in onderhandeling tussen de twee partijen of via een combinatie hiervan tot stand komen.

Tot nu toe is de betrokkenheid van de rechter bij het Brexit-proces beperkt. Dat ligt in het Verenigd Koninkrijk wat anders. De rechter daar heeft al moeten oordelen over enkele staatsrechtelijke vragen die werden opgeworpen door burgers, bijvoorbeeld de vraag of het Britse parlement het laatste woord zal hebben over een onderhandelingsresultaat dat de VK-regering met de EU tot stand heeft gebracht (als het al zover komt).

In Nederland is het op het terrein van procedures bij de rechter over Brexit nog betrekkelijk rustig. Bekend is de poging van enkele VK expats die via de Nederlandse rechter probeerden een verzoek te richten aan het EU Hof in Luxemburg om verduidelijking over de vraag of de Brexit een einde zal maken aan de rechten van EU burgers, die tot dan toe als VK expats op het continent hadden gewerkt en gewoond. De Voorzieningenrechter in Amsterdam was daartoe bereid. Bij arrest van 16 juni 2018 heeft het Gerechtshof in hoger beroep daar een streep doorgehaald. De gevolgen van de Brexit voor deze groepering in Nederland is op dit moment nog volstrekt niet te bepalen. Een vraag om uitleg daarover van de Nederlandse rechter aan het EU Hof kan daarover op dit moment dan ook nog geen duidelijkheid geven.

Een andere zaak, die al wel in Luxemburg bij het EU Hof op tafel ligt, gaat om de gevolgen van een Europees aanhoudingsbevel dat een Engelse rechter had gericht aan de Ierse overheid inzake een EU burger, die in het VK zou worden berecht. Het aanhoudingsbevel dateerde van vóór het moment waarop de Engelse overheid – na het referendum- het besluit tot uittreding in Europa bekendmaakte (29 maart 2017).

De verdachte voor wie om aanhouding in Ierland en uitlevering naar het VK was gevraagd, werd in het VK verdacht van moord, brandstichting en verkrachting, waarvoor onder Engelse wetgeving levenslang kon worden opgelegd. Deze verdachte wilde uitlevering aan het Verenigd Koninkrijk voorkomen en bracht bij de Ierse rechter – hij was inmiddels in Ierland aangehouden en wachtte op zijn uitwijzing – dat hij met de Brexit bij berechting en tenuitvoerlegging van zijn straf in het VK verstoken zou raken van de bescherming van zijn fundamentele rechten die de EU verdragen en het EU Handvest hem toekennen. De straf die hem boven het hoofd hing zou betekenen dat hij in een land terecht zou komen waar EU-regels inmiddels niet meer zouden gelden. Hij vreesde met name terecht te zullen komen in een gevangenis in Noord-Ierland,  waar de omstandigheden uiterst slecht waren en nadelig zouden zijn voor zijn gezondheid. Hij bepleitte dat de Ierse rechter hem niet zou uitwijzen naar het VK. De Ierse rechter legde het EU Hof de vraag voor of hij in deze omstandigheden vanwege de Brexit nog met het Engelse verzoek om uitlevering kon instemmen.

De Advocaat-Generaal verzuchtte in zijn conclusie ( een uitvoerig advies aan het Hof)  van 7 augustus 2018:

We know that we know next to nothing about the future legal relationship between de EU and the United Kingdom …

In de conclusie merkt de AG vervolgens op dat de bestaande Europese regeling voor het uitvaardigen van een EU arrestatiebevel en het honoreren van een uitleveringsverzoek uit een andere lidstaat is gebaseerd op een stelsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en erkenning van elkaars juridische procedures. De AG meent dat het besluit tot uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de EU volstrekt niet betekent dat het Verenigd Koninkrijk zich ook zou willen onttrekken aan de Europese Mensenrechtenconventie en de algemene rechtsbeginselen, die in de naoorlogse tijd zijn opgesteld. Over de regelingen die er op de diverse terreinen na de Brexit tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk zullen gaan gelden, valt op dit moment nog niets te zeggen. Bovendien geldt de Europese systematiek in ieder geval tot en met 29 maart 2019. Vooralsnog is het dus volgens de AG “business as usual”. Hij stelt het Hof dan ook voor de Ierse rechter te antwoorden dat het zonder verdere bijzonderheden de lopende Brexit procedure geen reden is om het verzoek van de Engelse rechter om uitlevering anders te behandelen. Voorlopig moeten de EU-regels ook tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk worden nageleefd.

Deze korte inventarisatie laat zien dat – als te verwachten – de rechter zich niet gek laat maken door de waan van de dag en ook in het kader van Brexit-gerelateerde vragen bij het ontbreken van verdere duidelijkheid voorlopig vasthoudt aan de toepassing van de bestaande rechtsregels.

Meer informatie

Print dit artikel