• Nieuws

Concept wetsvoorstel: Wet opheffing verpandingsverboden

10 september 2018
Ondernemingsrecht - Bankrecht & financieringen

In bepaalde sectoren, waaronder de retail en de bouwsector, is het een gebruik geworden dat contracten bepalingen bevatten die de overdracht of verpanding van geldvorderingen op naam verbieden (hierna: “Verpandingsverboden”). Op 22 augustus jl. is de internetconsultatie voor het concept wetsvoorstel “Wet opheffing verpandingsverboden” (het “Voorstel”) gesloten. Het Voorstel is een voorstel tot wijziging van onder andere artikel 3:83 Burgerlijk Wetboek en het doel van het Voorstel is om het gebruik van Verpandingsverboden onder bepaalde omstandigheden een halt toe te roepen.

In dit artikel zal ik kort het Voorstel en de reacties op de internetconsultatie behandelen.

Het Voorstel

De belangrijkste wijziging van het Voorstel is de wijziging van artikel 3:83 lid 2 Burgerlijk Wetboek. De wetgever wenst dit artikel als volgt te wijzigen (wijziging onderstreept toegevoegd):

De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten, tenzij het een geldvordering op naam betreft, anders dan een vordering uit hoofde van een betaal- of spaarrekening, die voortkomt uit de uitoefening van een beroep of bedrijf en wordt overgedragen voor financieringsdoeleinden. Elk hiermee strijdig beding is nietig.

Met deze wijziging beoogt de wetgever een beter klimaat te creëren voor de financiering van met name het midden- en kleinbedrijf en beter aan te sluiten bij de wet- en regelgeving in ons omringende landen zoals Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk. Vorderingsrechten zijn nu veelal door Verpandingsverboden onttrokken aan het economisch verkeer, maar dankzij deze toevoeging zullen zij weer ingezet kunnen worden voor financieringsdoeleinden. Naar schatting van de Nederlandse Vereniging van Banken en de Factoring & Asset Based Financing Association Netherlands zou dit zelfs tot een extrakredietruimte van bijna één miljard voor het midden- en kleinbedrijf kunnen leiden.

Vorderingsrechten die geraakt worden door het Voorstel zijn de vorderingsrechten die zijn ontstaan in het reguliere handelsverkeer tussen ondernemingen bij de uitoefening van hun beroep of bedrijf. Vorderingsrechten van particulieren worden dus expliciet niet door de wijzigingen van het Voorstel geraakt. Daarnaast introduceert de wetgever ook een “finaliteitscriterium” wat inhoudt dat de overdracht of verpanding moet geschieden voor financieringsdoeleinden.

Tot slot introduceert de wetgever ook een nieuw mededelingsvereiste om zo te waarborgen dat de schuldenaar zeker weet aan wie hij bevrijdend kan betalen. Na de wetswijziging moet in geval van een overdracht of verpanding schriftelijk (dit omvat tevens de elektronische vorm) hiervan mededeling worden gedaan aan de schuldenaar. Daarnaast kan de mededeling in geval van meerdere vorderingen van één schuldenaar worden volstaan met een zogenaamde “groepsmededeling” waarin deze schuldenaar op de hoogte wordt gesteld van de verpanding of overdracht van al zijn vorderingen.

Reacties op de internetconsultatie

Het Voorstel is overwegend positief ontvangen, maar er was ook wat commentaar op nog onduidelijke punten uit het Voorstel. De punten die het meest werden benoemd zijn:

  • het begrip “financieringsdoeleinden”: dit begrip heeft geen duidelijke strak omlijnde juridische betekenis en kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Dit kan mogelijk tot rechtsonzekerheid ten aanzien van de begrenzingen van het Voorstel leiden. Voorgesteld wordt om aan te sluiten bij het Duitse begrip van “handelsvorderingen”;
  • het begrip “uitoefening van een beroep of bedrijf”: gesteld wordt dat het nu onduidelijk is wat hier precies mee wordt bedoeld en of het begrip dezelfde betekenis kent als het reeds bestaande begrip “bedrijfs- of beroepsactiviteit”;
  • uit een onderzoek van de World Bank blijkt dat banken in Nederland gemiddeld 89,3% van hun krediet terugkrijgen in geval van faillissement, terwijl de overige crediteuren vaak met niets of maar een fractie van hun oorspronkelijke vordering achterblijven. De vrees bestaat dat door het Voorstel de positie van de overige crediteuren alleen maar meer zal verslechteren, terwijl die van de banken nog meer zal verbeteren;
  • er dient een (aanvullende) wettelijke regeling te komen om te voorkomen dat Verpandingsverboden met enkel verbintenisrechtelijke werking (die dus niet kunnen worden aangemerkt als bepalingen met goederenrechtelijke werking als bedoeld in artikel 3:83 lid 2 BW) een uitkomst zullen bieden voor hen die de gevolgen van het Voorstel wensen te omzeilen – dergelijke bedingen verhinderen een geldige overdracht of verpanding niet, maar hebben veelal door hun inhoud wel hetzelfde effect;
  • de vrees bestaat dat formeel wel aan het mededelingsvereiste kan zijn voldaan, maar dat de schuldenaar geen subjectieve wetenschap heeft van de overdracht of verpanding van diens vordering (de mededeling is bijvoorbeeld bij een verkeerde afdeling terechtgekomen) waardoor de schuldenaar niet bevrijdend heeft betaald. Voorgesteld wordt om op te nemen dat de betaling van een onwetende schuldenaar aan diens oorspronkelijke schuldeiser als een bevrijdende betaling heeft te gelden; en
  • het nieuw voorgestelde overgangsrecht is (i) overbodig omdat het beoogde effect reeds uit bestaand overgangsrecht volgt en (ii) kan tot rechtsonzekerheid leiden.

Het is nu afwachten of en hoe de wetgever de geleverde feedback zal verwerken in het Voorstel. Mocht u vragen hebben over het Voorstel of over de gevolgen van het Voorstel voor u, dan kunt u contact opnemen met de sectie Ondernemingsrecht of met team Bankrecht & Financieringen.

Dit artikel is geschreven door Annelisa Wibier.

Meer informatie

Annelisa Wibier

M +31 6 1255 6647
E a.wibier@ploum.nl

Print dit artikel