• Nieuws

Brexit – tussenstand voor ondernemingen: houd met alle scenario’s rekening

01 augustus 2018
Brexit

Minder dan negen maanden vóór de Brexit (per 30 maart 2019 om 00.00 uur) is er nog altijd nauwelijks zicht op het hoe en wanneer van het uittreden van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie. Na maanden van politiek tumult is er aan Engelse kant weliswaar nu meer wat duidelijkheid over de wensen en voornemens voor het onderlinge goederenverkeer maar of dat een vruchtbare basis voor de verdere onderhandelingen met de EU, de andere partij, zal zijn, is zeer onzeker.

Het Verenigd Koninkrijk lijkt te kiezen voor een vrijhandelssysteem en zich juist niet te willen aansluiten bij de douane-unie van de EU of de interne markt van de EU. Een vrijhandelssysteem geldt alleen voor het onderlinge verkeer van goederen van eigen bodem en zegt nog niets bijvoorbeeld over de uitwisseling van diensten tussen het Verenigd Koninkrijk en de EU. Grenscontroles met het VK blijven (worden) noodzakelijk om de herkomst van goederen te controleren (bijv. transitverkeer). Over gelijkschakeling en acceptatie van elkaars kwaliteitseisen voor goederen is nog vrijwel niets geregeld. Dat betekent verder dat een oplossing voor de grens Ierland/Noord-Ierland geen stap dichterbij is. Dat was juist één van de harde eisen van de EU om de Brexit ingangsdatum van 30 maart 2019 eventueel op te schuiventit 1 januari 2021.

Dit teleurstellende beeld laat zien dat een harde Brexit per 30 maart volgend jaar een reële gedachte lijkt te worden. De Europese Commissie, nationale ministeries zoals Economische Zaken en de Douane als ook werkgeversorganisaties als VNO-NCW dringen er dan ook de afgelopen tijd bij ondernemingen op aan rekening te houden met en voorbereid te zijn op een snelle en harde Brexit.

Hoe ziet een harde Brexit er mogelijk uit?

Uittreding uit de EU betekent kort gezegd dat het Verenigd Koninkrijk van de ene op de andere dag een buitenlands land is geworden waar de Europese regels mogelijk niet meer gelden zoals voorheen. Personen, goederen en diensten vanuit het VK kunnen niet rekenen op een regime van automatische toegang, zoals dat tot nu toe gold. Dat werkt in beide richtingen. Iedere import uit en export naar een VK-bestemming per boot, door de lucht of over de weg of rail moeten worden gecontroleerd bij de grensovergangen, wat leidt tot tijdverlies en mogelijke toepassing van invoerrechten aan. Toestemming voor import kan spaaklopen, omdat Engelse producten niet meer voldoen aan de EU-kwaliteitseisen dan wel omdat niet kan worden zékergesteld dat die producten aan die eisen voldoen. Ook de fiscale afhandeling van goederentransporten en dienstenverkeer vanwege omzetbelasting verlopen veel ingewikkelder en zijn tijdrovender.

Mogelijk kunnen de EU en het VK het de komende maanden eens worden over een onderlinge regeling die tot een zachtere vorm van Brexit kan leiden. Daarvoor is echter waarschijnlijk vereist dat uiterlijk eind oktober/begin november van dit jaar de onderhandelingen over de belangrijkste onderwerpen van een onderlinge regeling (en over Noord-Ierland) moeten worden afgerond.

Voor ondernemingen die bij het handelsverkeer met het VK zijn betrokken of op een andere manier economische relaties met het VK hebben, is het nog een tijd lang koffiedik kijken en blijft de onzekerheid troef. De waarschuwing van overheden en organisaties om alle opties open te houden is dan ook terecht. De vraag hoe dat moet, doet zich bij elke onderneming voor de komende periode voor: “Kan ik de bestaande handelsrelatie, samenwerking of joint venture met een Engels onderneming gewoon blijven voortzetten? Kan ik de Engelse producten die mijn vaste leveranciers vanuit dat land aanbieden blijven afnemen en, vice versa, geldt dat ook voor mijn eigen producten die voor de Engelse markt zijn bestemd? Wat moet ik aan met het vastknopen van nieuwe banden met een Engelse onderneming, indien zich opeens een goede gelegenheid daarvoor voordoet?”

Voorzorgsmaatregelen voor Brexit

De praktijk komt in juridisch opzicht al met verschillende oplossingen, vooral in de sfeer van contractbepalingen en algemene voorwaarden die op de handelsrelaties met Engelse ondernemingen van toepassing zullen zijn. Zo is het denkbaar voor nieuwe commerciële betrekkingen de duur van een contract te beperken tot de Brexit-termijn dan wel een tussentijdse beëindiging van het contract mogelijk te maken en/of de voortzetting van een contract afhankelijk te maken van een heronderhandeling voor nieuwe voorwaarden.

Daarnaast zal in nieuwe contracten de keuze van het toepasselijke recht een onderwerp van onderhandeling kunnen zijn. Toepassing van het Engels recht ligt mogelijk niet meer voor de hand, indien daarmee niet is verzekerd dat de verenigbaarheid met EU-wetgeving is gegarandeerd. Daarnaast kunnen partijen bij het sluiten van een contract zich buigen over de vraag aan welke rechter zij een eventueel geschil zouden willen voorleggen. Het is onzeker of het bestaande EU-systeem over tenuitvoerlegging van vonnissen in het VK blijft bestaan. De bestaande mogelijkheden bij inhoudelijke meningsverschillen een zaak voor te leggen aan de Europese rechter in Luxemburg zijn niet meer automatisch van toepassing. Het zal van de Brexit-onderhandelingen afhangen welke oplossing daarvoor komt en of die oplossing de gewenste garanties voor ondernemingen oplevert. Vooralsnog zouden oplossingen die tevoren in de contractuele sfeer worden uitonderhandeld voor Nederlandse ondernemingen meer zekerheid kunnen bieden.

Veel ondernemingen zijn intern al druk bezig met de inventarisatie van mogelijke problemen en de oplossing ervan. Veel bedrijven kennen een Brexit-task force en hebben een strategie over hoe met deze zaken om te gaan. Dat kan zeer wel inhouden dat de over de bestaande voorwaarden met een VK partij moet worden heronderhandeld.

Een illustratie vormt een procedure die recentelijk bij de Nederlandse rechter heeft gespeeld, hoewel in het vonnis van een mogelijke Brexit-context niet wordt gerept. Het is bekend dat Nederlandse toeleveranciers (en waarschijnlijk ook de leveranciers uit andere EU landen) met het oog op de komende Brexit eenzijdig of in onderhandeling bijv. vanwege grotere valutaverschillen de contractvoorwaarden hebben aangepast. Het betrof in deze zaak een geschil tussen een Nederlandse leverancier/kweker van aardbeienplantjes, die al enkele jaren producten had geleverd aan een Engelse onderneming, die de geoogste aardbeien doorleverde aan Engelse retailers, zoals Tesco. De Nederlandse kweker wilde bij het ingaan van een nieuw verkoopseizoen betere betalingsvoorwaarden van toepassing hebben op de transactie. Voorheen gold volgens de afnemer dat bij bestelling (vermeerdering van de stekjes) een betaling van 25% van de totaalprijs moest worden voldaan, waarna het restant bij levering zou plaatsvinden. In dit geval wilde de Engelse afnemer de nieuwe, voor hem ongunstiger voorwaarden niet aanvaarden en stapte naar de kortgedingrechter om aflevering van de plantjes tegen de bestaande voorwaarden af te dwingen. Deze besliste dat de afnemer zich niet in een noodsituatie bevond, aangezien alternatieve toeleveranciers van aardbeienplantjes op de markt aanwezig waren. De nieuwe condities waren voor de Voorzieningenrechter nog onvoldoende duidelijk vast te stellen. De vordering van de Engelse afnemer tot levering werd om die reden afgewezen.

Hoewel deze zaak dus niet uitdrukkelijk voortkwam uit zorgen omtrent het post-Brexit-regime voor de Nederlandse leverancier, geeft deze zaak wel goed aan welke speelruimte ondernemingen kunnen hebben om in de sfeer van algemene voorwaarden bij bestaande contracten of bij het aangaan van een nieuw contract veiligheidsmarges in te bouwen om de commerciële risico’s van een harde Brexit te beperken. Het loont voor ondernemingen in deze woelige tijden met veel opties rekening te houden en die waar mogelijk ook te gebruiken.

Meer informatie

Print dit artikel