• Nieuws

De berekening van het loon tijdens en na de vakantie

25 augustus 2014
Arbeidsrecht - Ploum over Arbeid

De vakantieperiode kan werkgevers kopzorgen bezorgen. Denk daarbij niet alleen aan bezettingsproblemen, maar ook aan het vaststellen van het loon van de werknemers.

Werknemers hebben op grond van artikel 7 van de Arbeidstijdenrichtlijn recht op minimaal vier weken vakantie met behoud van loon. Uit eerdere Europese rechtspraak blijkt dat dit loonbegrip het normale loon inclusief vaste vergoedingen behelst, waarbij incidentele kosten niet meegerekend dienen te worden. Onder de vaste vergoedingen worden in ieder geval verstaan vakantietoeslag, een vaste dertiende maand en een structurele overwerkvergoeding. Bij incidentele kosten moet worden gedacht aan onkostenvergoedingen, het werkgeversaandeel pensioenpremie en de auto van de zaak.

De vraag rijst of een provisie moet worden opgenomen in de berekening van het loon tijdens en na de vakantie, in het geval een werknemer op provisiebasis werkt. Het Hof van Justitie heeft hier onlangs in het arrest Lock/British Gas Trading duidelijkheid over verschaft.

De casus lag als volgt: de werknemer verkoopt energieproducten en ontvangt daarvoor naast zijn basisloon een provisie, die wordt berekend over de door de werknemer gerealiseerde verkopen. Deze provisie wordt maandelijks, maar pas enkele weken nadat de verkoopovereenkomst is gesloten, uitbetaald. De maanden nadat de werknemer zijn jaarlijkse vakantie heeft genoten, valt zijn loon een stuk lager uit dan gewoonlijk. De werknemer heeft immers tijdens zijn vakantie geen nieuwe verkooptransacties gerealiseerd en dus geen provisie gegenereerd. De werknemer acht zijn vakantieloon niet goed berekend en stelt beroep in bij het Employment Tribunal. De Britse rechter vraagt het Hof van Justitie vervolgens om een prejudiciële beslissing over de vraag of de provisie, die een werknemer gedurende zijn vakantie had kunnen verdienen, als component moet worden meegenomen bij de berekening van het loon tijdens en na de vakantie.

Het Hof stelt vast dat de werknemer in kwestie gedurende zijn jaarlijkse vakantie een loon ontvangt dat vergelijkbaar is met het loon dat hij gedurende de arbeidstijdvakken ontvangt. De werknemer beschikt tijdens het vakantietijdvak naast zijn basisloon per slot van rekening ook over de provisie die hij op basis van de verkopen die hij in de weken vóór de vakantie tot stand had gebracht. Tot zover lijken de in artikel 7 Arbeidstijdenrichtlijn gestelde voorwaarden te worden nageleefd. Echter acht het Hof het feit dat de werknemer ervan kan worden weerhouden zijn recht op jaarlijkse vakantie uit te oefenen vanwege het uitgestelde financiële nadeel dat hij ondervindt in het tijdvak na zijn vakantie, in strijd met het doel van de Arbeidstijdenrichtlijn. Er wordt niet tijdens de vakantie, maar wel achteraf afbreuk gedaan aan het recht van de werknemer op behoud van het normale loon tijdens vakantie.

Het Hof concludeert dat een provisie, die wordt bepaald op basis van de tot stand gebrachte verkopen, moet worden meegenomen bij de berekening van de uit hoofde van de jaarlijkse vakantie verschuldigde beloning. Het is aan de nationale rechter om de methode voor de berekening te beoordelen.

Werkgevers dienen er dan ook rekening mee te houden dat zij de provisies die hun werknemers ontvangen in een tijdvak van arbeid, niet alleen gedurende een vakantieperiode, maar ook in de periode na de vakantie op vergelijkbare wijze door moeten betalen. Een juiste berekeningsmethode is tot op heden niet vastgesteld, maar het lijkt verstandig om een gemiddelde van de door de werknemer in een representatieve periode gegenereerde provisie, als basis te nemen.

Dit artikel is geschreven door Marleen Maas.