• Nieuws

    Duidelijk anders

    Kennis delen

Wanneer levert het tekortschieten van een contractant een onrechtmatige daad op jegens een derde?

12 oktober 2017
Commerciële contracten - Arbitrage - Arbitrage & alternatieve geschillenbeslechting - Boete

Recent arrest Hoge Raad over de aansprakelijkheid van contractanten jegens derden

In beginsel heeft een overeenkomst alleen werking tussen de partijen die zijn betrokken bij de overeenkomst. Daarop zijn echter uitzonderingen mogelijk. Op 14 juli 2017 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin is geoordeeld dat het een contractspartij niet onder alle omstandigheden vrij staat de belangen die derden kunnen hebben bij een behoorlijke nakoming van de overeenkomst te verwaarlozen. Bepalend is niet of de contractspartij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij zij partij is, maar of zij haar gedragen en verklaringen mede diende te laten bepalen door de belangen van de betrokken derde (ECLI:NL:HR:2017:1355).

De feitelijke achtergrond van deze zaak is als volgt. Projectontwikkelaar De Molen Bunders (“DMB”) sluit op 14 maart 2007 een overeenkomst met woningbouwvereniging Compaen. In die overeenkomst is bepaald dat Compaen 70 toekomstige appartementsrechten van DMB zal afnemen. Indien niet uiterlijk op 1 februari 2008 minimaal 20 appartementen door Compaen aan derden zijn verkocht, heeft Compaen de mogelijkheid de overeenkomst te ontbinden.

Enige maanden later sluit DMB een overeenkomst met Eiseressen tot cassatie (“Eiseressen”). In die overeenkomst is bepaald dat Eiseressen op eerste afroep van DMB maximaal 20 appartementen van Compaen afnemen. Het doel van deze tweede overeenkomst is te bewerkstelligen dat Compaen de ontbindende voorwaarde niet kan inroepen. DMB en Eiseressen hebben daarom in de overeenkomst bepaald dat als de overeenkomst tussen DMB en Compaen om welke reden dan ook zal worden ontbonden, de tussen hen gesloten overeenkomst eveneens wordt ontbonden. Voor elk appartement dat Eiseressen niet afnemen, ontvangen zij EUR 15.000; voor elk appartement dat Eiseressen wel afnemen ontvangen zij een korting van EUR 45.000.

In juli 2009 komen DMB en Compaen bijeen. De economische crisis treft de bouwsector hard en vanwege de dusdanig verslechterde marktomstandigheden is het voortzetten van het project onder ongewijzigde omstandigheden gedoemd te mislukken. DMB en Compaen sluiten daarom een vaststellingsovereenkomst waarin zij opnemen dat zij met wederzijds goedvinden de tussen hen gesloten overeenkomst beëindigen. Daarnaast sluiten DMB en Compaen met Bedrijf A nieuwe overeenkomsten, zodat een doorstart van het project kan worden gerealiseerd. Hierbij komen zij gedrieën in een intentieverklaring overeen dat als DMB door Eiseressen tot betaling van de garantiesom van maximaal EUR 300.000 (EUR 15.000 per appartement met een maximum van 20 appartementen) zal worden aangesproken, de drie partijen de financiële risico’s gelijkelijk zullen dragen. Het meerdere boven EUR 300.000 zal voor rekening komen van DMB.

Naar aanleiding hiervan stuurt DMB aan Eiseressen een brief waarin zij mededeelt dat de ontbinding van de overeenkomst tussen haar en Compaen met zich brengt dat de overeenkomst tussen DMB en Eiseressen is ontbonden.

Niet lang daarna, op 4 mei 2010, wordt DMB op verzoek van Compaen failliet verklaard. Op 13 oktober 2013 wordt het faillissement beëindigd zonder dat er een uitkering aan de concurrente crediteuren heeft plaatsgevonden.

Eiseressen vorderen vervolgens dat Compaen wordt veroordeeld tot betaling van (onder meer) het bedrag van EUR 300.000. De rechtbank wijst deze vordering toe, maar het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering af.

Opmerkelijk is dat zowel de rechtbank als het hof de beslissing baseren op dezelfde arresten: Vleesmeesters/Alog (HR 24 september 2004, NJ 2008/587 m.nt. Du Perron) en Wierts/Visseren (HR 20 januari 2012, NJ 2012/59), en desondanks tot een andere uitkomst komen.

De zaak Vleesmeesters/Alog gaat, kort gezegd, over het volgende. Alog heeft als hoofdhuurder een huurovereenkomst gesloten met verhuurder Euro Invest. In de huurovereenkomst is bepaald dat Alog de verplichting heeft om een supermarkt in stand te houden in het gehuurde. Dit doet zij in eerste instantie ook. De overige ruimte verhuurt zij aan Dumeco, een franchiseorganisatie van slagerijen, die het weer onderverhuurt aan slagerij Vleesmeesters. Na enige tijd verplaatst Alog de supermarkt naar een andere locatie. Dit heeft tot gevolg dat de slagerij minder aanloop heeft en wordt gedwongen haar slagerij te sluiten wegens toenemende verliezen. Bovendien wordt de overeenkomst tussen Alog en Euro Invest beëindigd, nu Alog in strijd met de op haar rustende verplichting geen supermarkt meer in het gehuurde heeft gevestigd. De vraag is of Alog bij de nakoming van haar contract met Euro Invest, rekening had moeten houden met de belangen van Vleesmeesters. Het hof oordeelt dat Alog niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens Vleesmeesters, nu noch in de overeenkomst tussen Alog en Dumeco, noch in de overeenkomst tussen Dumeco en Vleesmeesters een verplichting was opgenomen ervoor te zorgen dat in het gehuurde een supermarkt zou worden gedreven. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en oordeelt dat indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat de derde schade of ander nadeel kan lijden als de contractant in de uitvoering tekortschiet, normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is, met zich kunnen brengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. De Hoge Raad vervolgt dat bij de beantwoording van de vraag of die normen dat met zich brengen, de rechter alle terzake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling moet betrekken, zoals: de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.

In het in 2012 gewezen arrest Wierts/Visseren is deze rechtsregel uit Vleesmeesters/Alog herhaald en bovendien verduidelijkt: het enkele feit dat een contractant wanprestatie pleegt, levert op zichzelf nog geen onrechtmatige daad jegens een derde op.

In de onderhavige zaak komt het hof – anders dan de rechtbank – tot het oordeel dat de rechtsregel uit Vleesmeesters/Alog toepassing mist, omdat er niet van kan worden uitgegaan dat Compaen tekort is geschoten in de nakoming van de tussen haar en DMB gesloten overeenkomst waarmee de overeenkomst tussen DMB en Eiseressen nauw samenhing (rov. 4.6.3). Met ander woorden: het hof stelt een tekortschieten van de contractant als voorwaarde voor aansprakelijkheid jegens een derde. Nu Compaen niet is tekortgeschoten (partijen zijn immers met wederzijds goedvinden uit elkaar gegaan), is er volgens het hof dan ook geen sprake van een Vleesmeesters/Alog situatie.

Tegen dit oordeel komen Eiseressen op in cassatie.

In zijn conclusie voor het onderhavige arrest schrijft A-G Valk dat de rechtsopvatting van het hof, welke inhoudt dat voor aansprakelijkheid van Compaen vereist is dat zij jegens DMB tekortschiet, onjuist is (nr. 2.17). Toch betekent dit volgens de A-G niet dat het onderdeel tot cassatie behoort te leiden. De A-G leest het oordeel van het hof zo dat het oordeel wordt gebaseerd op twee gronden, namelijk (1) dat er niet van kan worden uitgegaan dat Compaen tekort is geschoten in de nakoming van de tussen haar en DMB gesloten overeenkomst en (2) dat er (ook) niet van kan worden uitgegaan dat de tussen Compaen en DMB gesloten overeenkomst met de overeenkomst DMB en Eiseressen nauw samenhing. Immers, zo betoogt de A-G, hoe had Compaen bedacht moeten zijn op de mogelijkheid dat op een later moment de overeenkomst Eiseressen-DMB met haar overeenkomst zal worden geschakeld? In zijn visie speelt de voorzienbaarheid voor Compaen dus een belangrijke rol. De A-G merkt op dat enigszins onaardig gezegd Eiseressen zich ‘naar binnen hebben gewerkt’ in de verhouding Compaen-DMB. Niet valt in te zien, aldus de A-G, waarom Compaen Eiseressen niet ‘naar buiten mag werken’: een dergelijk betalen met eigen munt is niet onrechtvaardig. Voor zover Compaen zich al de belangen van Eiseressen had moeten aantrekken, merkt de A-G op dat Compaen dat genoeg heeft gedaan, onder meer door overeen te komen dat Compaen in ieder geval EUR 100.000 zou betalen.

A-G Valk lijkt in de onderhavige zaak aanleiding te zien voor een tweede verduidelijking op het arrest Vleesmeesters/Alog, namelijk of het belang van de derde voor de contractant ten tijde van de contractssluiting voorzienbaar is.

De Hoge Raad besteedt aan de voorzienbaarheid geen woorden, waarschijnlijk omdat de voorzienbaarheid kan worden ingevuld met de door de Hoge Raad in het arrest Vleesmeesters/Alog gegeven handvatten (waaronder het handvat of de belangen van de derde kenbaar waren). De Hoge Raad oordeelt dat bepalend is of de aangesproken partij haar verklaringen en gedragingen ter zake van de overeenkomst waarbij zij partij is, mede diende te laten bepalen door de belangen van de betrokken derde. Het is niet mede vereist dat de aangesproken partij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij zij partij is en waarmee de belangen van die derde verbonden zijn.

Dit oordeel van de Hoge Raad is geen verrassing. In de literatuur is reeds veelvuldig betoogd dat een tekortschieten onder een overeenkomst geen vereiste is. Zo heeft Du Perron, nu één van de raadsheren in de Hoge Raad die dit arrest heeft gewezen, al in zijn annotatie onder het arrest Vleesmeesters/Alog verdedigd dat de kern van de vraag naar zorgvuldigheid van contractspartijen tegenover derden niet is of de ene partij tegenover de andere tekortschiet, maar of die partij zijn gedrag mede door die belangen van de betrokken derde moet laten bepalen. In deze zaak kreeg de Hoge Raad de kans dat nog eens te bevestigen.

Conclusie

Uit het arrest kan de conclusie worden getrokken dat de Hoge Raad het arrest Vleesmeesters/Alog heeft verduidelijkt: bepalend is of de aangesproken partij haar verklaringen en gedragingen ter zake van de overeenkomst waarbij zij partij is, mede diende te laten bepalen door de belangen van de betrokken derde, en dus niet is vereist dat de aangesproken partij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij zij partij is en waarmee de belangen van die derde verbonden zijn.

Zoals A-G Valk schrijft: “bepalend is niet of de aangesproken partij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij zij partij is, maar of zij ‘tekort is geschoten’ in een – op grond van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt bestaande – verplichting om zich bij de wijze waarop door haar aan die overeenkomst uitvoering wordt gegeven, mede de belangen van derden aan te trekken”.

Tips

Wilt u weten of u (bijvoorbeeld bij het beëindigen van een overeenkomst) als contractant mogelijk aansprakelijk bent jegens een derde? Twijfelt u of u partij bent bij een overeenkomst, waarmee andere overeenkomsten nauw samenhangen? Of wilt u meer weten over de mogelijkheden om als derde een contractant bij een samenhangende overeenkomst succesvol aansprakelijk te stellen?

Wij helpen u graag

Voor oplossingen kunt u terecht bij Dorine ten Brink en haar team.

Dorine heeft samen met haar collega Suzanne Poutsma bovenstaand arrest besproken tijdens de Talkshow Contractenrecht van de Academie voor de Rechtspraktijk. 

Meer informatie

Dorine ten Brink

T +31 10 440 6450
M +31 6 2269 3380
E d.tenbrink@ploum.nl

Suzanne Poutsma

T +31 10 440 6425
M +31 6 2322 0906
E s.poutsma@ploum.nl

Print dit artikel