• Nieuws

    Duidelijk anders

    Kennis delen

Is stookolie die niet aan de normen voldoet een afvalstof?

05 december 2017
Economisch strafrecht - Milieu - Boete

Op 15 november 2017 bepaalde het Hof Den Bosch in dit arrest (link:  https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:4849&showbutton=true ) dat stookolie die niet aan de norm voldoet een gevaarlijke afvalstof is.

Afval bestaat niet

De uitspraak is interessant, omdat het begrip “afval” altijd voor veel juridische meningsverschillen zorgt. De Nederlandse wet en jurisprudentie haken aan bij de definitie in de Europese Afvalstoffenrichtlijn (zie http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2008:312:0003:0030:nl:PDF). En die is voor sommigen vaag. Afval is volgens artikel 3 van deze Richtlijn: “elke stof waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of zich moet ontdoen”.

Daardoor lijkt de focus vooral te liggen op de bedoeling van de houder, en niet zozeer op de aard van de stof. Ergens is dat best gek, maar anderzijds is het ook logisch wanneer gekeken wordt naar de tendens om de economie steeds meer circulair te maken. Her en der kom je al leuzen tegen die luiden “afval bestaat niet”.

Het begrip “zich er van ontdoen”

Het Hof Den Bosch denkt daar dus anders over.

Op een schip werd stookolie gebruikt waar zoveel sediment in zat dat er problemen ontstonden met de separatoren. De leverancier nam de stookolie terug, althans op papier. De olie bleef in eerste instantie in dezelfde tank zitten. Nadat de olie was doorverkocht, werd het door een ander schip van het eerste schip weggehaald. De verdachte in deze zaak was het bedrijf dat het andere schip had ingehuurd. En deze verdachte bezat geen vergunning om zogenaamde “gevaarlijke afvalstoffen” in te zamelen. Wat volgde was deze strafzaak, waarin het verweer dat werd gevoerd was: het gaat hier niet om een afvalstof.

Het Hof oordeelde dat in ieder geval het bedrijf dat de stookolie terug wilde leveren aan de oorspronkelijke leverancier, zich niet van de stookolie wilde ontdoen. Het Hof haalde daarbij het onder insiders bekende Shell-arrest aan: wanneer je iets teruggeeft, met de bedoeling om je geld terug te krijgen, heb je niet de bedoeling om het goed te “verwijderen”.

Echter: de oorspronkelijke leverancier die de stookolie opnieuw in de markt wilde zetten wilde zich er wel van ontdoen. Aldus het OM. Aan de lage prijs kun je zien dat de leverancier zich wil ontdoen van een last, was de stelling. Volgens de verdediging echter is het feit dat het spul een toch nog aanzienlijke prijs heeft, – en die prijs werd door de verdachte dus betaald – het bewijs dat het niet om een afvalstof gaat. De leverancier wilde zich er niet van ontdoen. Hij wilde het verkopen.

Shell-arrest

Het Hof keek naar de “ware intentie” van de leverancier. In de kwestie die leidde tot het Shell-arrest (zie Hof van Justitie EU, 12 december 2013,  ECLI:EU:C:2013:821) nam Shell de partij terug, mengde er andere stoffen doorheen, en bracht de partij daarna op de markt. Dat was hier niet het geval. De leverancier wist dat het product niet voldeed, maar deed er niets aan. Het product moest aanvankelijk dus als stookolie op de markt komen, maar dat bleek niet te kunnen. De leverancier deed vervolgens niets aan het product: niet-bruikbare stookolie. Dát was volgens het Hof uiteindelijk doorslaggevend om te zeggen: de leverancier wilde zich er van ontdoen. En dus is het een afvalstof. Bovendien is het een zogenaamde ‘gevaarlijke afvalstof’. Op het vergezellende Veiligheidsinformatieblad staat immers dat de stookolie kankerverwekkend vermogen heeft.

Het argument dat er nog verschillende mogelijkheden waren om de stof weer bruikbaar te maken, vond het Hof niet relevant. Het gaat om de intentie van de leverancier, en niet om die van de verdachte.

Ook werd door de verdediging betoogd dat de verdachte dan toch in ieder geval geen opzet had: men kon immers niet weten dat het om een afvalstof ging. Die overtuiging was gebaseerd op analyses van deskundigen. Ook hier haalde men echter bakzeil. Volgens het Hof is de verdachte een professionele marktpartij, die wist dat het gehalte aan sediment veel te hoog was. Inzicht in de exacte samenstelling ontbrak. Door desondanks de partij over te nemen nam men het risico dat de niet bruikbare stookolie gelet op de omstandigheden waaronder de leverancier zich van de stookolie ontdeed, moest worden aangemerkt als afvalstof. En dat zorgt voor opzet, in zogeheten “voorwaardelijke” zin.

Straf

Het Hof neemt het de verdachte kwalijk dat voorschriften die er zijn om het milieu te beschermen zijn overtreden. Bovendien maakt de verdachte zich op deze manier volgens het Hof schuldig aan oneerlijke concurrentie.

Een geldboete van €50.000,- zou normaliter passend zijn geweest, maar vanwege de duur van de strafrechtelijke procedure legde men in dit geval een boete van €45.000,- op.

Conclusie

Voor het antwoord op de vraag of iemand zich van een stof aan het ontdoen is, is niet alleen van belang of er een prijs wordt betaald, en of die prijs redelijk is. Het Hof Den Bosch kijkt naar de “ware intentie” van de ontdoener in spe, en als gezegd kan worden dat die de bedoeling had om zich van de stof te ontdoen, dan is de volgende partij in beginsel de pineut: die heeft afval gekocht. Het kan weer anders worden indien die partij het product gaat hergebruiken, zonder dat dat gepaard gaat met een vervuilend procedé.

Meer informatie

Jouko Barensen

T +31 10 440 6487
M +31 6 1098 1063
E j.barensen@ploum.nl

Print dit artikel