• Nieuws

    Duidelijk anders

    Kennis delen

Lessen uit twee recente Brzo-zaken

22 augustus 2017
BRZO - Economisch strafrecht - Boete

  • Er hoeft niet daadwerkelijk een ongeval te hebben plaatsgevonden om tot overtreding van het Brzo te kunnen komen;
  • Het feit dat een ongeval heeft plaatsgevonden, betekent niet automatisch dat niet alle mogelijke maatregelen ter voorkoming daarvan zijn getroffen;

Op 24 juli 2017 sprak de rechtbank in Overijssel een bedrijf en een vermeend feitelijk leidinggever vrij van het overtreden van het Brzo 1999 (Besluit Risico’s Zware Ongevallen 1999).

Het bedrijf viel onder de werkingssfeer van het Brzo én er vond een ongeval plaats. Een kwestie van 1 plus 1 = 2? Nee. Een korte behandeling van twee recente uitspraken.

Hoge Raad, 4 juli 2017

Voor overtreding van artikel 5 Brzo 1999 is niet vereist dat een specifiek incident ook daadwerkelijk had kunnen uitgroeien tot een “zwaar ongeval”. Sterker nog: er hoeft helemaal geen ongeval te hebben plaatsgevonden, zo blijkt uit het recente arrest van de Hoge Raad van 4 juli jl. (ECLI:NL:HR:2017:1279). De Hoge Raad oordeelt dat de stelling dat een specifiek incident ‘moet hebben kunnen uitgroeien tot zwaar ongeval’ neerkomt op het eisen van een in het Brzo niet voorziene voorwaarde. Het gaat slechts om de vraag of de nodige maatregelen zijn genomen ter voorkoming van zware ongevallen. Ofwel, zoals de Advocaat-Generaal stelde: “Dat een concreet incident niet kan worden aangemerkt als (potentieel) zwaar ongeval, sluit niet uit dat er een zorgplicht is om dergelijke ongevallen te voorkomen. En die preventieplicht geldt natuurlijk zowel voor zware ongevallen als voor incidenten die daartoe kunnen uitgroeien.”

Omdat het Hof in zijn oordeel had besloten dat voor het bewijs óók vast moest komen te staan dat het incident dat zich had voorgedaan zware gevolgen had, of had kunnen hebben, casseerde de Hoge Raad. Het Hof Den Bosch dient de zaak nu te beoordelen.

Natuurlijk zal het feit dat zich daadwerkelijk enig ongeval heeft voorgedaan er toe kunnen leiden dat eerder wordt bewezen dat niet de nodige maatregelen ter voorkoming van een (zwaar!) ongeval waren genomen. In zoverre wordt dan wellicht het bewijs makkelijker: u heeft niet voldoende gedaan om dergelijke voorvallen te voorkomen, want er heeft zich zo’n voorval voorgedaan.

Maar: als zich een dergelijk voorval heeft voorgedaan, betekent dat dan dat het Brzo is overtreden?

Rechtbank Overijssel, 24 juli jl.

Volgens de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 juli jl. niet.

Op het eerste gezicht bevatte deze zaak een tenlastelegging die aan de verdachte twee keer hetzelfde verwijt maakt:

  • én er zou een inrichting in werking zijn gehouden terwijl zij duidelijk onvoldoende maatregelen had getroffen om zware ongevallen te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken aangezien voor een groot deel van de installaties geen adequate veiligheidsstudies waren uitgevoerd,
  • én de verdachte dreef een inrichting waar niet alle maatregelen waren getroffen om zware ongevallen te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken.

Artikel 23 Brzo 1999

De eerste gedraging, het zogenaamde exploitatieverbod, werd tot voor kort in artikel 23 van het Brzo 1999 strafbaar gesteld, terwijl de tweede gedraging in artikel 5 van het Brzo 1999 strafbaar is gesteld. Beide bepalingen zijn inmiddels gebundeld in artikel 5 Brzo 2015. Hoewel de beide uitspraken in 2017 werden gedaan, betrof het voorvallen van vóór 2015 en dus is het oude Brzo, dat van 1999, nog van toepassing. Het exploitatieverbod zag daarbij destijds meer op maatregelen gericht op de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, terwijl artikel 5 met name oog had voor de (algemenere) gevolgen voor mens en milieu. Dat is nu iets genuanceerder.

De verdediging in de Overijsselse zaak bepleitte de niet-ontvankelijkheid van het OM, omdat uit het terzake geldende beleid (de Handhavingsstrategie Brzo 1999) zou volgen dat een bedrijf eerst een waarschuwing zou moeten krijgen alvorens opgetreden zou kunnen worden. Dat argument volgde de rechtbank niet: het bestuurs- en het strafrecht kunnen gelijktijdig worden ingezet, waarbij het voor de inzet van het strafrecht niet nodig is om eerst een waarschuwing te geven. Omstandigheden kunnen er toe leiden dat de (directe) inzet van het strafrecht gerechtvaardigd is.

De belangrijkste vraag in het kader van de tenlastegelegde overtreding van artikel 23 Brzo 1999 was, of aan een bedrijf eerst een exploitatieverbod moet worden opgelegd wil het – als het dat negeert – artikel 23 kunnen overtreden. Volgens het OM was dat niet zo: een bedrijf moet zélf de deuren sluiten als het niet voldoende maatregelen neemt. De rechtbank verwees naar de Nota van toelichting op artikel 23 Brzo 1999, en gaf het OM ongelijk: uit die Nota blijkt duidelijk dat door de overheid eerst een exploitatieverbod moet zijn opgelegd wil overtreding van artikel 23 aan de orde kunnen zijn. Op die gronden sprak de rechtbank de verdachte vrij van het eerste tenlastegelegde feit.

Voor wat betreft het andere verwijt werd door de verdediging ook betoogd dat de verdachte diende te worden vrijgesproken. Daarvoor werd een aantal redenen aangevoerd, waaronder het argument dat het geldende beleid was afgestemd met, en goedgekeurd door het bevoegd gezag.

Bevoegde instanties waren op de hoogte van de risico’s en vonden deze kennelijk acceptabel

De rechtbank zette alle acties en reacties in chronologische volgorde naast elkaar. Een Brzo-inspectie in 2011 leidde tot een handhavingstraject, waarbij de verdachte uiteindelijk aan een aantal van de gestelde eisen voldeed. Hierdoor werd de aanvankelijke overtreding ongedaan gemaakt, hetgeen tijdens een periodieke Brzo-inventarisatie in 2012 werd vastgesteld. Daarna werd door het bedrijf een Veiligheidsrapport opgemaakt, waarvan door het bevoegd gezag werd vastgesteld dat het voldeed aan de eisen van het Brzo. Tevens werd in samenspraak met ISZW een vijfjarenplan opgesteld om alle installaties opnieuw te beoordelen. Dit plan werd mede in het kader van de Brzo-inspectie in februari 2013 beoordeeld, en nader uitgebreid.

Vervolgens vond op 12 december 2013 een explosie plaats. Op de plaats van het ongeval werd het werk stilgelegd. Het bedrijf en ISZW kwamen in samenspraak tot een oplossing die er toe leidde dat de stillegging werd opgeheven. Vastgesteld wordt door de rechtbank:

“dat [verdachte] telkens in gezamenlijk overleg met de Inspectie SZW en de overige bevoegde instanties de nodige stappen heeft genomen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken. De toezichthoudende instanties hebben het door [verdachte] opgestelde Veiligheidsrapport goedgekeurd en geen opmerkingen gemaakt over het gebruik van installatiescenario’s als wijze van risicoanalyse. [verdachte] heeft de risico-identificatie conform het Veiligheidsrapport uitgevoerd”.

De bevoegde instanties waren derhalve op de hoogte van de werkwijze van de verdachte, en vonden de risico’s kennelijk acceptabel. Onder die omstandigheden kan niet bewezen worden dat de verdachte onvoldoende maatregelen had genomen. De overige feitelijkheden werden evenmin bewezen geacht. Uit het dossier volgde niet dat men in strijd met de eigen procedures had gewerkt, noch dat er bijvoorbeeld geen deugdelijke veiligheidsbeheerssystemen waren ingevoerd.

Het gevolg was dat de verdachte ook voor dit feit werd vrijgesproken.

Lessen

De belangrijkste les lijkt voor Brzo-bedrijven te zijn: wees transparant, communiceer, en pas aan daar waar dat nodig is. Dat kan later problemen, zoals die hier aan de orde waren, voorkomen.

Voor de toezichthoudende autoriteiten zit er een andere les in: actief toezicht houden brengt met zich dat keuzes of fouten die worden gemaakt, tot ieders verantwoordelijkheid worden gerekend. Oftewel: daar waar aanwijzingen worden opgevolgd en goedkeuring aan het beleid wordt verleend, past niet het latere verwijt dat de onder toezicht gestelde onvoldoende inspanningen heeft geleverd.

Meer informatie

Jouko Barensen

T +31 10 404 1101
M +31 6 1098 1063
E j.barensen@ploum.nl

Print dit artikel