• Nieuws

    Duidelijk anders

    Kennis delen

Het gebruiken van een verklaring zonder dat de verdediging de getuige heeft kunnen ondervragen

30 mei 2017
Juridisch nieuws

ECLI:NL:RBROT:2017:3679

Op 15 mei jongstleden deed de rechtbank Rotterdam uitspraak in een zaak waarin de vraag aan de orde kwam of je iemands verklaring in een strafzaak mag gebruiken, wanneer de verdediging deze persoon niet heeft kunnen ondervragen.

In deze zaak werd de verdachte onder meer verweten als makelaar betrokken geweest te zijn bij de oplichting van hypotheekbanken. Verdachte zou voor kopers een gefingeerd dienstverband geregeld hebben, zodat deze gemakkelijker een hypothecaire geldlening konden verkrijgen.

De verdediging voerde aan dat gebruik van de verklaringen van een van de medeverdachten zou leiden tot strijd met artikel 6 EVRM, het recht op een eerlijk proces, nu de verdediging niet effectief deze medeverdachte heeft kunnen bevragen aangezien deze zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen bij het verhoor bij de rechter-commissaris.  De verdediging stelde tevens dat er niet voldoende steunbewijs voorhanden was.

In de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) (Vidgen, ECLI:NL:XX:2012:BX3071LJN BX3071 ) blijken drie momenten doorslaggevend te zijn bij de vraag of het ondervragingsrecht uit lid 3 van artikel 6 EVRM geschonden is. Allereerst wordt bekeken of de situatie een toelaatbare inbreuk op het ondervragingsrecht betreft, wat betekent dat er een goede reden moet zijn voor het feit dat de getuige niet ondervraagd kon worden. Hierna wordt gekeken of de verklaringen van de getuige beslissend zijn geweest voor de bewezenverklaring (de “sole or decisive” rule). Wanneer is vastgesteld dat de bewezenverklaring uitsluitend of overwegend op de verklaringen van de niet ondervraagde getuige berust wordt beoordeeld of de verdediging voldoende compensatie is geboden, zowel op procedureel vlak als bewijsinhoudelijke gronden (zie ook de noot van Schalken bij HR Post Vidgen (ECLI:NL:HR:2013:BX5539)).

De rechtbank Rotterdam verwees in de onderhavige oplichtingszaak van 15 mei jl. naar deze jurisprudentie (Vidgen t. Nederland) en de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BX5539, Post-Vidgen), waaruit blijkt dat artikel 6 eerste lid en derde lid, aanhef en onder d EVRM niet geschonden wordt in het geval er voldoende compensatie geboden wordt voor het ontbreken van het ondervragingsrecht, of de betrokkenheid van de verdachte “in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van diens verklaring die door de verdachte zijn betwist”.

De rechtbank oordeelde dat van compensatie in deze zaak geen sprake was, maar dat bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte in voldoende mate steun vindt in de verklaringen van andere medeverdachten en aannemers. De rechtbank acht deze verklaringen betrouwbaar en ziet dan ook voldoende ondersteuning voor de verklaringen van de verdachte in kwestie, zodat de betwiste verklaringen gewoon als bewijs kunnen worden gebruikt. De rechtbank Rotterdam vervolgt hiermee de jurisprudentielijn die de Hoge Raad in de zaak Vidgen inzette.

Een voorbeeld van een zaak waarin een beroep op de Vidgen-jurisprudentie wel slaagde, is ECLI:NL:RBROT:2014:9324. In deze zaak oordeelde de rechtbank Rotterdam dat de verklaring van het slachtoffer niet gebruikt kon worden voor het bewijs omdat er geen compenserende factoren aanwezig waren en de betrokkenheid van de verdachte tevens niet voldoende steun kon vinden in andere bewijsmiddelen. De rechtbank achtte de overige getuigenverklaringen niet zodanig specifiek dat deze de betwiste verklaringen voldoende ondersteunden. Het feit kon dan ook niet bewezen worden waardoor de rechtbank de verdachte vrijsprak.

Dit artikel is geschreven door Mitchell Verbraeken.

Meer informatie

Jouko Barensen

T +31 10 404 1101
M +31 6 1098 1063
E j.barensen@ploum.nl

Print dit artikel