• Nieuws

    Duidelijk anders

    Kennis delen

Aansprakelijkheid werkgever voor een fout van een in- en weer uitgeleende werknemer

30 oktober 2017
Commerciële contracten - Aansprakelijkheidsrecht - Boete

Recent arrest Hoge Raad over aansprakelijkheid voor fout ondergeschikte

De Hoge Raad heeft op 14 juli 2017 een arrest gewezen, in een zaak waarbij het ging om de vraag of de werkgever aansprakelijk is voor schade die het gevolg is van een fout die een in- en weer uitgeleende werknemer heeft gemaakt (zie ECLI:NL:HR:2017:1345).

De zaak ging over het volgende. Aannemingsbedrijf BAM had bij werkzaamheden in opdracht van ProRail gebruik gemaakt van de veiligheidsdiensten van het bedrijf JMV. JMV had hiertoe veiligheidspersoneel aan BAM ter beschikking gesteld, waaronder een zogenaamde werktreinbegeleider (WTB-er) die in dienst was van bedrijf A en door bedrijf A aan JMV was uitgeleend. In de nacht van 19 op 20 februari 2008 werden onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd aan het baanvak Boxtel-Eindhoven. Het normale treinverkeer was stilgelegd, maar op het spoor reden wel meerdere werktreinen en gold een tijdelijk veiligheidsregime. Een van de taken van de WTB-er was om te controleren of wissels in de juiste stand staan. Het was een koude nacht met veel vorst, waardoor de wissels wit uitgeslagen waren, en er waren hier en daar mistflarden. Door een onjuiste inschatting van de WTB-er, die op de werktrein aanwezig was, raakte een wissel beschadigd. Kosten: een kleine € 120.000. BAM was voor de schade verzekerd bij Zurich en Zurich heeft de schade aan ProRail vergoed. Zurich heeft vervolgens geprobeerd de schade te verhalen op JMV, als materiële werkgever van de betrokken WTB-er. Zurich baseerde haar vordering onder meer op artikel 6:170 BW, op grond waarvan (naast de persoon in kwestie zelf) de werkgever aansprakelijk is jegens de benadeelde partij.

Artikel 6:170 BW luidt als volgt: “Voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een ondergeschikte, is degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk, indien de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen.

Kortom, een lang en behoorlijk ingewikkeld wetsartikel, dat verschillende elementen bevat waaraan cumulatief moet zijn voldaan om tot aansprakelijkheid te komen:

  1. Het moet gaan om een fout van een ondergeschikte;
  2. Er moet sprake zijn van een functioneel verband: er moet voldoende samenhang zijn tussen enerzijds de opgedragen werkzaamheden en anderzijds de fout van de ondergeschikten. Dit valt in twee elementen uiteen:
  3. De kans op de fout moet zijn vergroot door de opdracht: dit wordt ook het functioneel verband tussen de opdracht en de fout genoemd.
  4. Er moet sprake zijn van zeggenschap over de gedragingen waarin de fout was gelegen.

De rechtbank Gelderland wees de vordering van Zurich af, maar bij het hof Arnhem-Leeuwarden had Zurich meer succes. Het hof wees de vordering toe, omdat het hof – anders dan de rechtbank – tot de conclusie kwam dat er een fout was gemaakt door de WTB-er, waarvoor JMV op grond van het bepaalde in artikel 6:170 BW aansprakelijk is. JMV liet het er niet bij zitten en ging in cassatie. De Hoge Raad besteedde in zijn arrest aan alle hierboven genoemde elementen uitgebreid aandacht.

WTB-er maakt fout

Zoals hiervoor al aangegeven had het hof geconcludeerd dat de WTB-er een fout had gemaakt. Het hof vond dat de WTB-er onzorgvuldig en onrechtmatig jegens BAM had gehandeld (i) door af te gaan op zijn (naar achteraf bleek onjuiste) visuele oordeel dat de wissel goed stond en dat de werktrein zonder risico door kon rijden en (ii) door niet van de werktrein af te stappen om zich van de stand van de wissel te vergewissen.

De Hoge Raad vond dat het hof zijn beslissing niet goed had gemotiveerd. Het hof had een aantal omstandigheden, die door JMV waren aangevoerd, niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken. De betrokken WTB-er had namelijk onder meer verklaard:

  • Dat het zicht die nacht op die plek 50-100 meter was;
  • Dat hij (dus) goed zicht had op de wissel, die zich op circa 10-12 meter afstand bevond;
  • Dat hij zijn twee collega’s, die ook op de werktrein aanwezig waren, had gevraagd mee te kijken en dat ook zij hadden aangegeven dat de wissel goed stond;
  • Dat er een onduidelijke instructie was vanuit BAM, in die zin dat wel duidelijk was dat de WTB-er moest afstappen als hij twijfel had over de stand van de wissel, maar dat er onduidelijkheid was over de vraag of de instructie inhield dat er altijd en onder alle omstandigheden afgestapt moest worden. Gebruikelijk was in die tijd in elk geval dat alleen bij twijfel werd afgestapt. (Nadien heeft BAM de instructie aangepast: nu moet altijd afgestapt worden.)

De Hoge Raad vond dat het hof deze omstandigheden in zijn beoordeling had moeten meenemen en wel op zo’n manier dat dit ook duidelijk uit het arrest bleek. Nu dat niet het geval was, vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de Hoge Raad de zaak terug naar een ander hof om die afweging opnieuw te maken. En zo procederen partijen dus nog even verder over het voorval dat in die koude februarinacht in 2008 plaatshad …

(Wij houden de verdere ontwikkelingen in de gaten en geven u een update zodra het arrest van het hof Den Bosch is gepubliceerd.)

Ondergeschiktheid

Het hof had geconcludeerd dat sprake was van ondergeschiktheid. Dit criterium moet ruim worden opgevat. Met de stellingen van Zurich dat JMV zeggenschap had om de WTB-er al dan niet in- en uit te lenen en deze zonodig niet langer op te roepen, was volgens het hof aan dit criterium voldaan.

JMV vond dat voor het ondergeschiktheidsvereiste méér nodig was, nl. dat de werkgever die aansprakelijk wordt gehouden voor de fout een instructiebevoegdheid bezit en de betrokken werknemer aanwijzingen of bevelen kan geven. Uit het enkele feit dat JMV kon beslissen over het in- en uitlenen van de WTB-er volgde volgens JMV niet automatisch dat zij ook de bevoegdheid had de WTB-er instructies of aanwijzingen te geven.

De Hoge Raad volgt het hof en oordeelt dat het bestaan van zeggenschap in beginsel toereikend is voor de ondergeschiktheid, die vereist is voor toepassing van art. 6:170 BW. De Hoge Raad benadrukt de beschermingsgedachte van artikel 6:170 BW: van de benadeelde partij kan niet worden verlangd dat hij bekend is met de afspraken die tussen de verschillende in aanmerking komende ‘werkgever’ bestaan met betrekking tot de instructiebevoegdheid. Daarom zijn zowel de formele als de materiële werkgever aansprakelijk.

Functioneel verband: kans + zeggenschap

Het hof had geoordeeld dat sprake was van een functioneel verband tussen de opdracht en de fout.

JMV vond dat het hof niet tot deze conclusie had kunnen komen. Het hof had volgens JMV moeten nagaan of de kans op de fout door de gegeven opdracht was vergroot en voorts of zeggenschap bestond over de gedragingen van de WTB-er. JMV betoogde dat de algemene oproep- en uitleenmogelijkheid niets zegt over de mate waarin de kans op de fout is vergroot en de vraag of JMV over het gedrag van de WTB-er zeggenschap had.

Ook hier schaarde de Hoge Raad zich aan de zijde van het hof en oordeelde dat het begrip “functioneel verband” ruim moet worden uitgelegd. De Hoge Raad vond het niet onbegrijpelijk dat het hof tot de conclusie was gekomen (i) dat de terbeschikkingstelling van ed WTB-er door JMV aan BAM gezien moest worden als een opdracht in de zin van art. 6:170 BW en (ii) dat die terbeschikkingstelling van de WTB-er aan BAM de kans had vergroot op de fout van de WTB-er, die immers taken had te verrichten met betrekking tot de veiligheid van het werk. Dat JMV voldoende zeggenschap had over de WTB-er volgde al uit hetgeen de Hoge Raad over de ondergeschiktheid had overwogen.

Conclusie

Uit het arrest zijn verschillende conclusies te trekken:

  • Of een ondergeschikte een fout heeft gemaakt, moet beoordeeld worden aan de hand van het leerstuk van de gevaarzetting, waarbij alle relevante omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen;
  • De begrippen “zeggenschap”, “ondergeschiktheid” en “functioneel verband” moeten ruim worden uitgelegd;
  • Als sprake is van een fout van een ondergeschikte zijn in beginsel zowel de formele werkgever als de materiële werkgever aansprakelijk.

Tips

Heeft u in uw situatie te maken met het inlenen of uitlenen van personeel? Hoe heeft u dan de risico’s afgedekt van aansprakelijkheid voor de fout van een ondergeschikte? Heeft u gedacht aan het opnemen van een vrijwaring en een regresmogelijkheid? En geeft u als werkgever duidelijke instructies aan uw ondergeschikten?

Wij helpen u graag

Voor oplossingen kunt u terecht bij Dorine ten Brink en haar team.

Dorine heeft samen met collega Suzanne Poutsma bovenstaand arrest besproken tijdens de Talkshow Contractenrecht van de Academie voor de Rechtspraktijk.

Meer informatie

Dorine ten Brink

T +31 10 440 6450
M +31 6 2269 3380
E d.tenbrink@ploum.nl

Suzanne Poutsma

T +31 10 440 6425
M +31 6 2322 0906
E s.poutsma@ploum.nl

Print dit artikel